Onderhanden werk
Onderhanden werk wordt in deze blog gedefinieerd als werk dat reeds is verricht, maar nog niet is gefactureerd. Hiervan is vaak sprake in geval van faillissement. Wanneer de vorderingen van een onderneming zijn verpand, rijst de vraag in hoeverre ten aanzien van het onderhanden werk in faillissement sprake is van een (verpande) vordering.

Pandrecht op een vordering
Een pandrecht kan worden gevestigd op een vordering indien deze op het moment van vestiging van het pandrecht reeds bestaat. Toekomstige vorderingen kunnen bij voorbaat worden verpand indien deze voortvloeien uit een op het moment van vestiging van het pandrecht reeds bestaande rechtsverhouding (art. 3:239 BW).

Voor de verpanding gelden bepaalde vestigingsvereisten (3:98 jo. 3:84 BW), zoals de beschikkingsbevoegdheid van de pandgever. De verpanding bij voorbaat van een toekomstige vordering is pas voltooid wanneer de pandgever de vordering daadwerkelijk verkrijgt, met andere woorden, wanneer de vordering ontstaat. Dit is het moment waarop beoordeeld dient te worden of aan alle vestigingsvereisten is voldaan.

Ontstaat de vordering wanneer de pandgever in staat van faillissement verkeert, dan komt geen pandrecht tot stand. Door de faillietverklaring verliest de pandgever namelijk van rechtswege de beschikking en het beheer over zijn vermogen (art. 23 Fw). Doordat de pandgever in faillissement beschikkingsonbevoegd is, wordt niet voldaan aan alle vereisten voor een rechtsgeldige vestiging van het pandrecht. Daarnaast blijkt uit art. 35 lid 2 Fw expliciet dat een vordering die pas ná faillissement ontstaat en voordien als toekomstige vordering was verpand, in de boedel valt zonder dat hierop een pandrecht tot stand komt.

Van belang is dus te bepalen of en wanneer ten aanzien van onderhanden werk sprake is van een vordering. Het antwoord hierop maakt duidelijk wie rechthebbende is op het onderhanden werk: de boedel of de pandhouder.

Better Life
Onlangs heeft het Gerechtshof te Amsterdam een arrest gewezen waarin de hierboven omschreven materie speelde. Zorgaanbieder Better Life had zijn huidige en toekomstige vorderingen op zorgverzekeraars verpand. Later is Better Life failliet gegaan. Op dat moment had zij nog onderhanden werk dat nog niet was gefactureerd ter waarde van € 1.265.697,93. Dit onderhanden werk betrof geneeskundige behandelingen die nog niet waren afgerond. De curator heeft alle bedrijfsactiviteiten van Better Life verkocht aan de doorstarter Better Mind. In deze verkoop was ook het onderhanden werk betrokken. De opbrengst van het onderhanden werk is gestort op een depotrekening. De vraag was wie recht heeft op de opbrengst.

Het Hof oordeelt dat het moment waarop een vordering (op een zorgverzekeraar) ontstaat, wordt bepaald door wat deze partijen zijn overeengekomen of in zoverre uit hun rechtsverhouding voortvloeit. Wat bijzonder is in de zorgsector is de driehoeksverhouding tussen de zorgaanbieder, de zorgafnemer en de zorgverzekeraar. Van toepassing is dus zowel publiekrecht (de wettelijke regelingen in de zorg) als het privaatrecht (de afspraken gemaakt tussen partijen). Het Hof stelt vast dat in de wet niets is bepaald over het moment van het ontstaan van vorderingen op zorgverzekeraars. Voorts was er in deze zaak geen schriftelijk contract gesloten tussen Better Life en de zorgverzekeraars, waaruit het ontstaansmoment van de vorderingen kon worden afgeleid. Wel stond vast dat gewerkt werd met een DBC-systeem. De facturatie aan de zorgverzekeraars werd verwerkt middels dit systeem. Na inwerkingtreding van de Zorgverzekeringswet is met betrekking tot de DBC’s een Declaratieregeling in de zorg opgesteld door de Zorgautoriteit. Deze regeling schrijft voor dat de zorgaanbieder slechts mag declareren als een behandeling is afgerond of na verloop van 365 dagen. Hieruit concludeert het Hof dat de vorderingen van Better Life op de zorgverzekeraars pas ontstonden zodra aan de voorwaarden van de Declaratieregeling was voldaan en dat uit niets blijkt dat Better Life vóór het moment dat aan die voorwaarden was voldaan reeds aanspraak kon maken op een betaling van een zorgverzekeraar.

Volgens het Hof bestonden er op datum faillissement dus geen vorderingen terzake het onderhanden werk van Better Life en kon dus ook geen sprake zijn van een pandrecht daarop.

Pandrecht op onderhanden werk wel mogelijk
In de hiervoor besproken zaak oordeelt het Hof dat het moment waarop een vordering van Better Life op een zorgverzekeraar ontstaat gelijk is aan het moment dat het mag worden gefactureerd. In beginsel hoeft dit helemaal niet zo te zijn. Er valt namelijk een onderscheid te maken tussen het materieel ontstaansmoment en het formeel ontstaansmoment van een vordering. Uit een overeenkomst kan bijvoorbeeld blijken dat een vordering reeds op een bepaald moment verschuldigd is (materieel), doch dat slechts wordt betaald indien de facturatie aan bepaalde eisen voldoet (formeel). In het fiscaal recht bestaat in de literatuur thans ook verschil van mening of een vordering van een Belastingdienst pas ontstaat op het moment van de aanslag of dat deze reeds eerder (materieel) ontstaat en slechts in een aanslag (formeel) wordt vormgegeven.

De Rechtbank Noord-Holland heeft in 2013 met betrekking tot onderhanden werk dat nog niet was gefactureerd geoordeeld dat het opstellen en verzenden van facturen gelet op het systeem van de wet niet valt aan te merken als de ontstaansbron voor de vordering als zodanig noch dat sprake is van toekomstige vorderingen tot het moment van factureren. Voor het ontstaan van de vordering acht de Rechtbank de onderliggende overeenkomst van belang en hetgeen daarin is bepaald over het ontstaansmoment van de vordering. In deze zaak bleek uit de tussen partijen gemaakte afspraken niet wat het ontstaansmoment van de vordering was, maar heeft de Rechtbank geoordeeld dat het onderhanden werk wel verpand was. De Rechtbank licht toe dat een vordering ontstaat terstond nadat de overeengekomen werkzaamheden zijn verricht (6:38 en 6:39 BW), tenzij partijen anders hebben afgesproken. Hier waren alle overeengekomen werkzaamheden echter – anders dan in de zaak Better Life – reeds afgerond.

Conclusie
Wanneer een vordering ontstaat, dient te blijken uit de wet of de tussen partijen gemaakte afspraken. Als het ontstaansmoment van de vordering daar niet uit blijkt, ontstaat uit onderhanden werk pas een vordering wanneer de overeengekomen werkzaamheden zijn afgerond. Is het werk vóór faillissement afgerond, dan is de vordering verpand. Wordt het werk niet afgerond, dan is er geen vordering. Het onderhanden werk valt dan in de boedel. De curator kan het betrekken in een verkoop of het werk afronden. Wordt het werk ná faillissement afgerond, dan valt deze in de boedel. In de praktijk zien wij vaak dat dit probleem door de pandhouder wordt ondervangen door in de pandakte te specificeren dat ook gedeelten van vorderingen onder het pandrecht vallen. Of daarmee ook het (reeds uitgevoerde) onderhanden werk verpand is, is in het licht van de uitspraak van het Hof de vraag. Het is aan te bevelen om voorzieningen te treffen aangaande het ontstaan van een (deel)vordering in de algemene voorwaarden van de kredietnemer. Ceres Legal kan hierover adviseren.

N.B. 1: indien uit de overeenkomst bepaalde deelvorderingen blijken, bijvoorbeeld in geval van een aannemingsovereenkomst met meerdere oplever- en betaaltermijnen, dan worden deze gezien als separate vorderingen. Indien het volledige project niet is afgerond, is alsnog een rechtsgeldig pandrecht gevestigd op de reeds opgeleverde termijnen.

N.B. 2: Vaak heeft een pandhouder niet alleen een pandrecht op de vorderingen, maar ook op de voorraad. In die gevallen is de curator voor het afronden van de werkzaamheden, dan wel de verkoop van de onderneming afhankelijk van de pandhouder. In de praktijk komt het dan ook geregeld voor dat pandhouder en curator afspreken dat de opbrengst van het onderhanden werk ten aanzien van werk dat nog niet is afgerond aan de pandhouder toekomt.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie