Bij het innen van een verpande vordering, kan de pandhouder geconfronteerd worden met een andere schuldeiser die beslag heeft gelegd op de vordering. Dan rijst de vraag wie voorrang heeft om zich op de vordering te verhalen en wie bevoegd is de vordering te innen.

Voorrang van de pandhouder

Een pandhouder gaat vóór de beslaglegger, als het pandrecht eerder is gevestigd dan het moment van beslaglegging. De pandhouder kan zich dan bij voorrang op de geïnde vorderingen verhalen.

Dit volgt uit een arrest van de Hoge Raad van 10 januari 1992 (Ontvanger/NMB, NJ 1992 744). Het arrest bepaalt dat voor een pandrecht bij voorbaat op een toekomstige vordering, geldt dat deze voorgaat op een derdenbeslag bij voorbaat. Op grond van het prioriteitsbeginsel (de stille verpanding is ouder dan het beslag) wordt de pandgever op het moment van ontstaan van de vordering eerst beschikkingsbevoegd en krijgt de verpanding bij voorbaat rechtsgevolg. Daarna treedt de beschikkingsonbevoegdheid van de pandgever door het beslag in.

De pandhouder wordt dus eerst uit de geïnde vordering voldaan en daarna de beslaglegger, als het pandrecht eerder is gevestigd dan het moment van beslaglegging. Maar wie is nu exclusief bevoegd de vordering te innen: de pandhouder of de beslaglegger?

Inningsbevoegdheid van de pandhouder

De wet regelt in artikel 3:246 lid 1 BW dat de pandhouder inningsbevoegd wordt op het moment dat er aan de schuldenaar van de vordering mededeling is gedaan van het pandrecht. Het ‘stille’ pandrecht wordt dan ‘openbaar’.

Daarnaast bepaalt de wet in 477 Rv dat de derde-beslagene verplicht is de vordering te voldoen aan de deurwaarder die beslag heeft gelegd.

In de casus van het arrest NBC/Sisal (HR 23 april 1999 JOR 1999/129) ging het om inning door een deurwaarder van de beslaglegger van een openbaar verpande vordering. In het geding werd niet door de pandhouder betwist dat door de inning de vordering, en daarmee het pandrecht, was komen te vervallen. De Hoge Raad oordeelde dat de pandhouder, ondanks verval van het pandrecht, voorrang heeft bij de verdeling van het geïnde. De verdeling vindt plaats volgens artikel 480 Rv. Dit is in lijn met een eerdere uitspraak van de Hoge Raad (HR 17 februari 1995, NJ 1996, 471 Mulder q.q./CLBN).

Kan hieruit nu de conclusie worden getrokken dat de beslaglegger inningsbevoegd is, en de derde-beslagene slechts aan hem bevrijdend kan betalen zodat daarmee de vordering en het pandrecht tenietgaan?

Ik denk het niet. In de casus werd door partijen namelijk niet betwist dat door de inning de vordering, en daarmee het daarop rustende pandrecht, was komen te vervallen. Hierdoor kwam de Hoge Raad niet toe aan een oordeel over de inningsbevoegdheid. De Hoge Raad kon niet anders oordelen dan dat de pandhouder voorrang had op het door de deurwaarder geïnde, na verval van het pandrecht.

Bij betaling aan de deurwaarder van de beslaglegger, geldt naar mijn mening het volgende.

Vindt betaling plaats aan de deurwaarder, nadat de pandhouder mededeling van het pandrecht aan de debiteur van de verpande vordering heeft gedaan, dan gaat het pandrecht als gevolg van die betaling niet teniet. Na mededeling van het pandrecht is de pandhouder exclusief inningsbevoegd (artikel 3:246 BW). Een betaling door de debiteur van de vordering aan de deurwaarder bevrijdt de debiteur jegens de pandhouder niet. Deze debiteur moet dus nogmaals betalen, en wel aan de pandhouder. De pandhouder kan zich op het door hem geïnde verhalen op grond van de artikelen 3:253 en 3:255 BW jo. 490b Rv.

Vindt de betaling plaats aan de deurwaarder, voordat de pandhouder mededeling van het pandrecht aan de debiteur van de verpande vordering heeft gedaan, dan gaat het op de vordering gevestigde pandrecht teniet, maar behoudt de pandhouder zijn voorrang bij de verdeling van de opbrengst.

Conclusie

Vanaf het moment dat het stil pandrecht openbaar is geworden, heeft de pandhouder de exclusieve inningsbevoegdheid over de vorderingen verkregen. Door de mededeling van het pandrecht wordt de beslaglegger inningsonbevoegd. Bevrijdende betaling kan dan slechts nog aan de pandhouder geschieden.

Voor het ontstaan van de exclusieve inningsbevoegdheid van de pandhouder, is in dit geval beslissend dat de mededeling van het pandrecht plaatsvindt vóórdat de debiteur aan de deurwaarder/beslaglegger betaalt. Niet beslissend is dat de openbaarmaking van het pandrecht vóór de datum van de beslaglegging is gedaan.

 

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie