Een fout in de interne besluitvorming staat niet in de weg aan de geldigheid van een pandrecht.

Vorige maand heeft het Gerechtshof te Den Haag geoordeeld over meerdere interessante verweren met betrekking tot een pandrecht op vorderingen. Deze hadden betrekking op de rechtsgeldigheid van het pandrecht. In deze blog gaan wij hier verder op in.

Centraal stond de vraag of een Stichting X haar vorderingen op een beleggingsadviseur rechtsgeldig had verpand aan de Gemeente Veenendaal.

Niet voldaan aan interne besluitvorming

Gesteld werd dat het pandrecht nietig was, omdat uit de statuten van de pandgever, een kerkelijke Stichting, volgde dat voor een aantal bestuursbesluiten voorafgaande toestemming nodig was van een orgaan. Dit betrof ook het besluit tot het vestigen van zekerheden. Hiervoor was geen toestemming verleend.

Hierop oordeelt het Hof dat een eventuele ongeldigheid van interne besluitvorming niet doorwerkt in de gebondenheid van de rechtspersoon aan de op deze besluitvorming gebaseerde externe rechtshandelingen. Zoals in dit geval het ontbreken van de krachtens de statuten vereiste toestemming voor de vestiging van een pandrecht. Dat het betreffende bestuursbesluit tot het vestigen van het pandrecht dus is genomen zónder de vereiste statutaire toestemming, maakt het vervolgens gevestigde pandrecht niet nietig of ongeldig.

Het oordeel van het Hof is terecht. Dit verweer raakt het (veel bredere) juridische leerstuk van de vertegenwoordigingsbevoegdheid bij een vennootschap. Hoofdregel is de onbeperkte vertegenwoordigingsbevoegdheid van iedere bestuurder (art. 2:240 BW). Dit is slechts anders wanneer beperkingen zijn opgenomen in de statuten. Deze beperkingen kunnen worden onderverdeeld in twee categorieën. Sommige beperkingen zijn mogelijk gemaakt in de wet. Zo volgt uit art. 2:240 lid 2 BW de beperking dat een bepaalde bestuurder slechts samen met één of meer andere bestuurders de rechtspersoon mag vertegenwoordigen. Andere beperkingen vloeien niet voort uit de wet. Bijvoorbeeld de afspraak dat de bestuurder geen overeenkomsten van meer dan € 10.000 mag aangaan.

Beperking vertegenwoordigingsbevoegheid

Een dergelijke beperking in de vertegenwoordigingsbevoegdheid kan alleen worden tegengeworpen aan een derde (en de rechtshandeling ongeldig maken), wanneer aan verschillende eisen is voldaan, namelijk:

1. de beperking dient op grond van art. 2:6 BW te zijn ingeschreven in het Handelsregister van de KvK. En

2. het gaat om een statutaire beperking die uit de wet volgt. En

3. het beroep op de beperking in de vertegenwoordigingsbevoegdheid wordt gedaan door de rechtspersoon zelf. Een derde komt dit beroep niet toe.

In de zaak die hier aan de orde is, had dit verweer alleen al om deze reden afgewezen kunnen worden. Het is namelijk niet de rechtspersoon die zich op de beperking beroept, maar de debiteur van de rechtspersoon.

Statutaire bepalingen die niet uit de wet voortvloeien kunnen er dus nooit toe leiden dat een rechtshandeling ongeldig is. Hoogstens is dan sprake van interne aansprakelijkheid van de bestuurder jegens de rechtspersoon.

Pandrecht tenietgegaan nu rechtspersoon niet meer bestaat

De tweede stelling was dat het pandrecht was tenietgegaan, omdat de rechtspersoon was opgehouden te bestaan. De rechtspersoon was door het bestuur geliquideerd.

Het Hof legt uit dat de vordering niet is gecedeerd, teniet gegaan of op een andere wijze uit het vermogen van de rechtspersoon is geraakt. Dit leidt ertoe dat de vordering nog altijd deel uitmaakt van het vermogen van de rechtspersoon en dat de vereffening van het vermogen van de rechtspersoon op dit punt nog niet is voltooid. Een rechtspersoon blijft ingevolge art. 2:19 lid 5 BW na ontbinding voortbestaan voor zover dit tot vereffening van zijn vermogen nodig is. Dit betekent dat de vordering van de rechtspersoon en het hierop gevestigde pandrecht nog onverkort bestaan.

Conclusie

De twee takeaways voor de Risk en Recovery-praktijk zijn:

  1. Fouten in de interne besluitvorming staan een rechtsgeldige verpanding niet in de weg;
  2. De liquidatie en ontbinding van een rechtspersoon hebben niet tot gevolg dat vorderingen van de rechtspersoon ophouden te bestaan.

 

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie