Zorgplicht pandhouder bij uitwinning zekerheden

, ,

In het kader van kredietverstrekking verkrijgt een pandhouder, zoals een bank, gebruikelijk meerdere zekerheden. Dient de pandhouder bij de uitwinning hiervan een bepaalde volgorde aan te houden? Geldt er een zorgplicht voor de pandhouder? Over de volgorde van uitwinning is pas geleden een vonnis uit 1998 (!) gepubliceerd, dat nu nog relevant is.

De pandhouder beschikte in die zaak over meerdere zekerheden, zoals verpande vorderingen en bedrijfsmiddelen, alsmede een hypotheek op een woonhuis. De pandhouder had aangekondigd tot onderhandse verkoop van de woning over te zullen gaan. De kredietnemers (inmiddels failliet) waren het hiermee niet eens. Zij probeerden de verkoop tegen te houden met een kort geding. De pandhouder zou zich volgens hen namelijk volledig worden kunnen voldoen uit de verpande vorderingen en bedrijfsmiddelen. Zij verwijten de pandhouder de vorderingen niet voortvarend genoeg te hebben geïncasseerd en daarmee de zorgplicht te hebben geschonden.

De rechter oordeelde – in het kort – als volgt:

Bij de afwikkeling van een krediet is uitgangspunt dat een pandhouder, zoals de bank, in beginsel de keuzevrijheid heeft met betrekking tot de wijze en volgorde van uitwinning van zekerheden. Deze keuzevrijheid van de pandhouder geldt niet in geval van willekeur dan wel strijd met de eisen van de redelijkheid en billijkheid die de pandhouder jegens de geëxecuteerde in acht moet nemen.

Wanneer de incasso van de (verpande) debiteuren niet voortvarend ter hand wordt genomen, zeker indien inmiddels een faillissement is gevolgd, is naar ervaringsregels het gevolg dat de bereidheid van deze debiteuren tot betaling verder afneemt en het aantal verweren toeneemt. Het uiteindelijk gevolg is dat de vorderingen niet of nauwelijks inbaar blijken. In een dergelijk geval kan aanleiding bestaan om te oordelen dat de pandhouder handelt in strijd met de redelijkheid en billijkheid door de uitwinning van de verpande vorderingen langer dan nodig te laten rusten en over te gaan tot uitwinning van de hypothecaire zekerheid op het woonhuis, hetgeen aanmerkelijk bezwarender is voor de geëxecuteerde.

In deze zaak blijft die beoordeling echter achterwege. De rechter komt tot de conclusie komt dat het woonhuis – ook wanneer de pandhouder zou kunnen worden voldaan uit de andere zekerheden – toch zal moeten worden verkocht in het faillissement voor de overige schuldeisers. De verkoop van de woning mag van de rechter dus doorgaan.

Conclusie

In geval van verpande vorderingen is de tijdsfactor van groot belang. In geval van afwikkeling van het krediet is het zaak om de verpande vorderingen zo snel mogelijk ter incasso over te dragen aan een gespecialiseerde partij. Daarmee bereikt de pandhouder het hoogst mogelijke resultaat en handelt deze binnen de kaders van de redelijkheid en billijkheid. De rechter geeft hiermee uiting aan een zorgplicht voor de pandhouder bij het uitwinnen van zekerheden.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie