In mei heeft het Gerechtshof te Den Bosch een arrest gewezen over de overdraagbaarheid van een wilsrecht. De uitspraak is van belang voor pandhouders omdat slechts op overdraagbare rechten een pandrecht kan worden gevestigd. Voorts heeft de uitspraak invloed op de bevoegdheden van de pandhouder. Zet je schrap voor een juridisch technisch, maar voor de financieringspraktijk interessant verhaal.

Casus

De Rabobank had een krediet verstrekt aan een onderneming. Deze onderneming had tot zekerheid voor de nakoming van haar verplichtingen onder meer haar vorderingen aan Rabobank verpand. Op enig moment (jaren later) heeft de onderneming ook een specifieke vordering aan de Rabobank gecedeerd. Het ging om de volgende vordering.

De betreffende onderneming had aandelen in een andere B.V. gekocht, maar wilde deze aankoop vernietigen op grond van een wilsgebrek. De aankoop zou namelijk tot stand zijn gekomen onder invloed van misbruik van omstandigheden en/of dwaling. Als de aankoop van de aandelen zou worden vernietigd, zou de onderneming het bedrag dat zij daarvoor had betaald kunnen terugvorderen op grond van onverschuldigde betaling.

De cessie aan Rabobank is als volgt omschreven:

“Overwegende dat:

(…)

Verkoper het recht heeft de koopovereenkomst ter zake de aandelen van Verkoper in (…) B.V. te vernietigen op grond van een wilsgebrek, waarna haar een vordering op (…) B.V. toekomt uit hoofde van onverschuldigde betaling van de koopprijs ad € 120.000,-;

(…)

Verkoper cedeert de vordering bij dezen aan Koper ten titel van koop/verkoop, welke cessie Koper bij dezen aanvaardt.”

Vervolgens spreekt de Rabobank de verkoper van de aandelen aan, vernietigt de koopovereenkomst en verzoekt betaling van het bedrag van € 120.000,-. Uiteindelijk komt het tot een procedure bij de Rechtbank en daarna bij het Hof. De Rabobank meent bevoegd te zijn tot vernietiging van de koopovereenkomst zowel op grond van de akte van cessie, als op grond van de verpanding. Verwezen wordt naar een beding in de Algemene voorwaarden voor verpanding van Rabobank 2008:

“De bank is bevoegd – zonder de pandgever daarin te kennen – alle gerechtelijke en buitengerechtelijke maatregelen te nemen die zij voor de inning van verpande vorderingen en uitoefening van rechten en uitwinning van zekerheden nodig acht, met de schuldena(a)r(en) van de verpande vordering(en), c.q. degene(n) jegens wie rechten geldend kunnen worden gemaakt, dadingen, schikkingen of akkoorden aan te gaan of regelingen te treffen, alle rechten uit te oefenen ten aanzien van alle aan de verpande vordering(en) verbonden en onder het pandrecht begrepen rechten en zekerheden, zoals bankgaranties, hypotheken, borgtochten, pandrechten en andere zekerheden, kortom al datgene te verrichten wat de pandgever zelf zou hebben kunnen doen als hij de vordering(en) en rechten niet zou hebben verpand.”

Oordeel Hof

Het Hof oordeelt dat wilsrechten geen goederen zijn in de zin van art. 3:83 BW, zodat deze niet als goed overdraagbaar zijn. De cessie doet, anders dan contractsoverneming, niet de gehele rechtsverhouding overgaan.  Op grond van de cessie is de Rabobank dus niet bevoegd de koopovereenkomst op grond van een wilsgebrek te vernietigen, waardoor er geen vordering tot onverschuldigde betaling is ontstaan en Rabobank dus ook geen betaling van de koopprijs kan eisen.

Verder oordeelt het Hof dat Rabobank ook niet in het kader van de verpanding de betreffende bevoegdheid heeft verkregen. Nu wilsrechten volgens het Hof niet vatbaar zijn voor overdracht als bedoeld in art. 3:83 BW, is de bevoegdheid tot vernietiging van een overeenkomst op grond van de wilsgebreken geen voor overdracht vatbaar recht, waardoor dit recht ook niet op Rabobank is overgegaan op grond van de Algemene voorwaarden voor verpanding.

Het oordeel van het Hof is nadelig voor pandhouders. Wij plaatsen echter meerdere vraagtekens bij het oordeel van het Hof dat zeer beperkt is gemotiveerd.

Wilsrecht kan wel degelijk een goed zijn

Goederen zijn volgens art. 3:1 BW alle zaken en alle vermogensrechten. Uit art. 3:6 BW blijkt vervolgens dat rechten die, hetzij afzonderlijk hetzij tezamen met een ander recht, overdraagbaar zijn, of er toe strekken de rechthebbende stoffelijk voordeel te verschaffen, ofwel verkregen zijn in ruil voor verstrekt of in het vooruitzicht gesteld stoffelijk voordeel, vermogensrechten zijn. Een wilsrecht, zoals de bevoegdheid tot vernietiging van een overeenkomst, kan ertoe strekken de rechthebbende stoffelijk voordeel te verschaffen, waardoor het valt aan te merken als een vermogensrecht. Het is heersende leer dat wilsrechten ook vermogensrechten zijn.[1] Ook valt te betogen dat een zelfstandig wilsrecht overdraagbaar is; zoals bijvoorbeeld een optierecht. Immers, enkel op grond van de wet kan overdraagbaarheid worden uitgesloten. Zolang het past in het wettelijk systeem, is de hoofregel: “overdraagbaarheid is mogelijk, tenzij”. Er is geen wettelijke bepaling die de overdraagbaarheid van zelfstandige (of afhankelijke) wilsrechten uitsluit.

Wilsrecht kan overdraagbaar zijn

Of een wilsrecht overdraagbaar is, wordt bepaald door het recht dat door de uitoefening van dat wilsrecht ontstaat.[2] Is dat recht overdraagbaar, dan is het wilsrecht dat ook. In de casus ontstaat door de uitoefening van de bevoegdheid tot vernietiging van een overeenkomst wegens dwaling en/of misbruik een vorderingsrecht. Na vernietiging van de overeenkomst kan immers terugbetaling van de koopprijs worden gevorderd. Dit vorderingsrecht is overdraagbaar, waardoor het wilsrecht ook overdraagbaar zou zijn.

Wilsrecht als nevenrecht

Wilsrechten kunnen nevenrechten zijn van een vorderingsrecht en als zodanig mee overgaan in de overdracht van het vorderingsrecht. Critici zullen het arrest van de Hoge Raad Neo River aankaarten. Hierin is geoordeeld dat op grond van de wet de enige bevoegdheden die mee overgaan met de verpande vordering zijn de bevoegdheid tot inning van de vordering en opzegging van de overeenkomst om de vordering opeisbaar te maken. Hoe houdbaar is het Neo River-arrest echter nog? Nadien heeft de Hoge Raad immers meerdere spraakmakende arresten gewezen waaruit nog veel meer bevoegdheden voor pandhouders volgen. Zo mag de pandhouder het pand- en hypotheekrecht verbonden aan een verpande vordering uitwinnen (ABN/Marell), het faillissement van een debiteur van een verpande vordering aanvragen (Megalim/De Veenbloem) en een vordering tot nakoming omzetten naar een vordering tot vervangende schadevergoeding (ABN/F-Air Luchtwassers). Allemaal wilsrechten derhalve, die wel degelijk tot de bevoegdheden van de pandhouder behoren.

Wij menen dan ook dat wilsrechten als nevenrechten van verpande vorderingen van rechtswege mee over kunnen gaan naar de pandhouder. In deze zaak was echter sprake van een voorwaardelijke vordering die pas zou ontstaan na het inroepen van het wilsrecht. De beperkte formulering van de cessieakte leidt er mogelijk toe dat enkel de voorwaardelijke vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling is gecedeerd en niet ook de bevoegdheid tot het inroepen van de vernietigbaarheid van de koopovereenkomst.

Conclusie

Het Hof heeft geoordeeld dat wilsrechten niet zelfstandig overdraagbaar zijn en enkel middels contractsoverneming kunnen worden overgedragen. Dit algemeen geformuleerde uitgangspunt is ons inziens rechtens niet juist. In veel  gevallen kunnen wilsrechten zelfstandig worden overgedragen. Cassatie van het betreffende arrest van het Hof zou dan ook wenselijk zijn voor de financieringspraktijk. Het is echter de vraag of cassatie in deze zaak tot een ander resultaat voor Rabobank zal leiden, gelet op de formulering van de cessieakte.

[1] W. Snijders, WPNR 1999/6365 en Rensen en Steneker, WPNR 2009/6797.

[2] Par. Gesch. Boek 3 BW, p. 314

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie