In onze blog “Het crediteurenakkoord, hoe zit het ook alweer?” hebben wij de stand van zaken besproken met betrekking tot crediteurenakkoorden vóór en ná faillissement, alsmede het wetsvoorstel Wet continuïteit ondernemingen II (hierna: WCO II).

Kort gezegd werd in dit wetsvoorstel een wettelijke basis gecreëerd voor een dwangakkoord buiten faillissement. Indien het aangeboden akkoord door de schuldeisers wordt aangenomen, kan de schuldenaar de rechtbank verzoeken dit akkoord algemeen verbindend te laten verklaren voor alle schuldeisers, tenzij de belangen van één of meerdere schuldeisers wordt geschaad.

Wetsvoorstel Wet homologatie onderhands akkoord ter voorkoming van faillissement

Op het wetsvoorstel WCO II zijn veel reacties gekomen. Daarom heeft de wetgever momenteel een aangepast wetsvoorstel ter consultatie liggen, namelijk de “Wet homologatie onderhands akkoord ter voorkoming van faillissement”. Voor een aantal problematische situaties uit het oude wetsvoorstel, zijn artikelen in het nieuwe wetsvoorstel aangepast of bijgewerkt. Hierna zullen de belangrijkste verschillen tussen de twee wetsvoorstellen worden besproken.

·          Conform het eerste wetsvoorstel was het mogelijk om tegen afwijzing van de algemeen verbindend verklaring van het dwangakkoord door de rechter in hoger beroep te gaan. In het huidige voorstel is dit niet meer mogelijk. Het doel van het wetsvoorstel is namelijk om een (financiële) herstructurering van de onderneming eenvoudiger, sneller en minder kostbaar te maken en een faillissement te voorkomen. Als er procedures bij beroepsinstanties gaan lopen, is er geen sprake van een snelle uitvoering van het akkoord (artikel 381, lid 6).

·          In het huidige wetsvoorstel is het voor de rechter mogelijk om een afkoelingsperiode in te lassen. Tijdens deze periode is het voor de schuldeisers niet mogelijk om zich te verhalen op het vermogen van de schuldenaar. De afkoelingsperiode duurt maximaal twee maanden en de rechtbank kan deze periode éénmaal verlengen met maximaal twee maanden (artikel 375).

·          Ook kan de schuldenaar geschillen die ontstaan vóór de stemming over het akkoord aan de rechter voorleggen. De reden waarom deze mogelijkheid alleen voor de schuldenaar bestaat is dat de totstandkoming van het akkoord niet onnodig kan worden vertraagd door schuldeisers of aandeelhouders die niet willen meewerken aan het akkoord (artikel 376).

·          Tevens is het in het nieuwe wetsvoorstel mogelijk voor de schuldenaar om een voorstel te doen tot wijziging van een wederkerige overeenkomst. Zo kan de schuldenaar naast zijn huidige schulden, de toekomstige schulden die voortvloeien uit overeenkomsten herstructureren. Hierbij kan worden gedacht aan bijvoorbeeld de huur van een kantoorpand die moet worden verlaagd, omdat de hoge huurtermijnen anders een succesvolle reorganisatie in de weg staan. Is de wederpartij het niet eens met de wijziging dan kan de schuldenaar de overeenkomst opzeggen met inachtneming van de gebruikelijke opzegtermijn. Het akkoord zoals door de schuldenaar aangeboden aan de schuldeisers kan geen wijzigingen (zoals hiervoor genoemd) aanbrengen in de arbeidsovereenkomsten van de werknemers (artikel 372).

Tot 1 december a.s. kan er worden gereageerd op het wetsvoorstel “Wet homologatie onderhands akkoord ter voorkoming van faillissement” via deze link. Daarna zal er opnieuw worden gestemd over dit wetsvoorstel.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie