In de praktijk is er vaak discussie over de vraag of bepaalde vorderingen wel of niet verpand zijn. Voor de beoordeling hiervan is de formulering in de pandakte van belang.

Inleiding

Gebruikelijk wordt in de pandakte opgenomen dat alle huidige en toekomstige vorderingen worden verpand. Hier wappert al de eerste ‘red flag’: niet alle toekomstige vorderingen kunnen worden verpand. Alleen vorderingen die ontstaan uit een rechtsverhouding die al bestaat op het moment van het vestigen van het pandrecht worden verpand. Dit probleem wordt door banken ondervangen door te werken met verzamelpandaktes, waardoor het pandrecht periodiek opnieuw wordt gevestigd. Over verpanding van toekomstige vorderingen schreven wij eerder al deze blog.

Daarnaast kunnen er andere ‘red flags’ in de pandakte staan. Afhankelijk van de formulering kan onduidelijkheid bestaan over welke vorderingen partijen hebben bedoeld te verpanden. De interpretatie van de pandakte is namelijk een kwestie van uitleg aan de hand van de Haviltex-criteria.

Is voor de vestiging van een pandrecht van belang dat in de pandakte staat dat de “vorderingen” worden verpand, of kun je ook de “debiteuren” verpanden? Deze uitlegvraag speelde vorige maand in een kort geding voor de Rechtbank Midden-Nederland.

Casus

In deze zaak was sprake van een geldleningsovereenkomst waarbij de partij die de lening ontving (de geldnemer) de vorderingen van haar drie dochtervennootschappen had verpand. In de overeenkomst stond het volgende: “Verpanding van de bestaande en toekomstige debiteuren van tot de Groep behorende vennootschappen (…)”. Aan de betreffende overeenkomst zijn debiteurenlijsten gehecht met de op dat moment openstaande vorderingen van de dochtervennootschappen.

In de pandakte stond verder dat de pandgever steeds periodiek zou meewerken aan de verpanding van de nieuwe vorderingen van de dochtervennootschappen. De pandhouder heeft ook steeds nieuwe debiteurenlijsten ontvangen en deze laten registreren bij de Belastingdienst.

De kern van het kort geding

Op enig moment was de geldnemer in verzuim met het aflossen van de geldlening en is de pandhouder overgegaan tot het innen van de verpande vorderingen. Daarbij heeft de pandhouder ook later verpande debiteuren aangesproken; dus debiteuren waarmee de dochtervennootschappen op het moment van het aangaan van de geldlening nog geen rechtsverhouding hadden. Deze bleken uit de nieuwe debiteurenlijsten die later waren geregistreerd. De dochtervennootschappen zijn van mening dat er geen pandrecht rust op de nieuwe debiteuren. Zij stellen dat slechts de debiteuren, waar ten tijde van de oorspronkelijke pandakte een rechtsverhouding mee bestond, zijn verpand, nu zij niet zelf steeds de nieuwe debiteurenlijsten verstrekten aan de pandhouder en evenmin bij de periodieke nieuwe verpandingen zijn betrokken.

Daarnaast menen de dochtervennootschappen dat de betreffende vorderingen op deze nieuwe debiteuren überhaupt niet zijn verpand, omdat alleen de “debiteuren” zouden zijn verpand en niet de “vorderingen”. Verpanding van de “debiteuren” zou beperkter zijn dan verpanding van de “vorderingen”. Waarom dit zo zou zijn wordt niet duidelijk toegelicht of onderbouwd.

Reikwijdte van het pandrecht

De vraag is dus wat de reikwijdte van het pandrecht is, nu partijen het daarover niet met elkaar eens zijn. In de pandakte is opgenomen dat de pandgever medewerking dient te verlenen aan de verpanding van de vorderingen op nieuwe debiteuren.

De rechter stelt vast dat weliswaar steeds nieuwe pandlijsten zijn geregistreerd, maar benadrukt dat de dochtervennootschappen hierbij niet zijn betrokken. Daarbij komt dat niet is komen vast te staan dat de geldnemer bevoegd was om namens de dochtervennootschappen mee te werken aan nieuwe verpandingen. Onduidelijk is op welke manier de pandhouder de nieuwe pandlijsten heeft verkregen en niet is aangetoond dat de dochtervennootschappen hieraan hebben meegewerkt.

Over het verschil dat zou bestaan tussen verpanding van “debiteuren” en van “vorderingen” is de rechter heel kort. Nu deze stelling niet nader is toegelicht of onderbouwd, gaat de rechter hier niet in mee.

De rechter oordeelt gelet op het bovenstaande dat de vorderingen op de nieuwe debiteuren van de dochtervennootschappen niet zijn verpand.

Conclusie

Alertheid is geboden bij de formulering in de pandakte, zodat de bedoeling van partijen correct wordt weergegeven. Vervolgens is belangrijk dat de juiste uitvoering hieraan wordt gegeven. Wanneer verpanding van alle (dubbel) toekomstige vorderingen gewenst is, dient periodieke verpanding plaats te vinden, met medewerking van de uiteindelijk pandgever (zijnde de rechthebbende van de te verpanden vorderingen). Banken doen dit door te werken middels periodieke verzamelpandaktes bij volmacht; de bank doet er goed aan de volmacht door alle pandgevers te laten verstrekken zodat een argument als in deze casus gevoerd hen niet kan worden tegengeworpen.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie