In deze blog ga ik in op de gevolgen van een verpandingsverbod en de vraag of een pandhouder kan worden verweten te profiteren van de wanprestatie wanneer een pandrecht wordt gevestigd in strijd met een verpandingsverbod.

Verbintenisrechtelijke of goederenrechtelijke werking

Een verpandingsverbod leidt niet altijd tot een ongeldige verpanding.

In 2014 heeft de Hoge Raad in het arrest HR Coface/Intergamma bepaald dat:

1. een contractueel verbod tot overdracht of verpanding – “dat naar zijn aard mede is bestemd om de rechtspositie te beïnvloeden van derden die de bedoeling van de contracterende partijen niet kennen en dat ertoe strekt hun rechtspositie op uniforme wijze te regelen – dient te worden uitgelegd naar objectieve maatstaven, met inachtneming van de Haviltex-maatstaf.”

en dat

2. “als uitgangspunt bij de uitleg van bedingen die de overdraagbaarheid van een vorderingsrecht uitsluiten, moet worden aangenomen dat zij uitsluitend verbintenisrechtelijke werking hebben, tenzij uit de – naar objectieve maatstaven uit te leggen – formulering daarvan blijkt dat daarmee goederenrechtelijke werking als bedoeld in art. 3:83 lid 2 BW is beoogd.”

In de praktijk dient dus steeds te worden onderzocht hoe het beding is geformuleerd om te kunnen concluderen of het beding goederenrechtelijke werking heeft. Heeft het beding goederenrechtelijke werking, dan is het pandrecht niet rechtsgeldig en is de pandhouder niet bevoegd de vordering te innen. Heeft het beding géén goederenrechtelijke werking, dan is er slechts verbintenisrechtelijke werking. Dit heeft tot gevolg dat het pandrecht in strijd met het beding tot stand is gekomen. Hierdoor is sprake van wanprestatie in de onderlinge verhouding tussen de contractspartijen, namelijk leverancier (pandgever) en afnemer (debiteur), maar is het pandrecht wel rechtsgeldig tot stand gekomen. De pandhouder is in het laatste geval bevoegd de vordering te innen.

Formulering beding

In de rechtspraak ná Coface/Intergamma is verder uitgekristalliseerd wanneer een beding zodanig is geformuleerd dat goederenrechtelijke werking is beoogd. Zo ook in de uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch op 23 mei 2017. Hier ging het om het volgende beding:

“(…) neither Party shall be entitled to assign its rights and obligations under the Agreement to a third party without prior written consent of the other Party”.

Het Hof oordeelt dat dit beding specifiek is gericht op de partijen bij de overeenkomst en niet op de aard van de vorderingsrechten. Het beding behelst een tussen partijen overeengekomen verbod om zonder toestemming van de wederpartij rechten en verplichtingen uit de overeenkomst over te dragen. Het Hof bepaalt op basis daarvan dat het beding slechts verbintenisrechtelijke werking heeft.

Benadrukt wordt dat de uitleg van het beding naar objectieve maatstaven dient te geschieden. Het is dus van belang dat de bedoeling van partijen uit de formulering van het beding voor iedere derde duidelijk moet zijn. Correspondentie tussen de partijen zelf waaruit een andere bedoeling zou blijken, wordt dan ook niet relevant geacht in deze zaak.

Profiteren van de wanprestatie

In dezelfde zaak werd naar voren gebracht dat de pandhouder zou profiteren van de wanprestatie die de pandgever zou hebben gepleegd door het pandrecht te verstrekken in strijd met het verpandingsverbod.

De pandgever was inmiddels failliet gegaan en de curator maakte aanspraak op de betaling van de verpande vorderingen op de debiteuren. De curator stelde dat de pandhouder onrechtmatig zou hebben gehandeld jegens de gezamenlijke crediteuren van de pandgever door

– mee te werken aan de verpanding

en door

– aanspraak te maken op het pandrecht,

terwijl de pandhouder zou hebben geweten van het verpandingsverbod en derhalve van de wanprestatie van de pandgever.

Het Hof merkt op dat het verpandingsverbod slechts strekt tot bescherming van de contractspartij en niet van de gezamenlijke crediteuren. Het profiteren van wanprestatie van een partij bij een overeenkomst kan dus slechts onrechtmatig zijn ten aanzien van de andere contractspartij, maar niet ten aanzien van de gezamenlijke crediteuren. Het Hof komt dan ook niet eens toe aan een inhoudelijke toetsing van de stelling van de curator.

Gevolgen van het profiteren van de wanprestatie

Het profiteren van andermans wanprestatie is in beginsel toegestaan. Slechts wanneer sprake is van een onrechtmatig element, kan dit anders zijn. Uit vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld HR Joba/Tjin-Hin-Tjoe) blijkt dat naast wetenschap van de wanprestatie, ook sprake moet zijn van bijzondere omstandigheden om te kunnen spreken van onrechtmatig profiteren van andermans wanprestatie. De rechter zal steeds tot een belangenafweging komen tussen de belangen van de andere contractspartij en de profiterende derde.

In het geval van een pandhouder die in strijd met een verpandingsverbod een pandrecht heeft verkregen, zal niet snel sprake zijn van een onrechtmatig profiteren van een wanprestatie. Bij een belangenafweging zal de balans immers doorgaans naar de kant van de pandhouder doorslaan. De pandhouder heeft namelijk een groot belang om zijn verhaalsmogelijkheden zeker te stellen en zijn pandrecht te kunnen uitwinnen. Dit is niet alleen een eigen belang, maar ook een maatschappelijk belang. Wanneer zekerheidsrechten worden beperkt, heeft dit aanzienlijke gevolgen voor onze economie. Daarnaast is het belang van de contractspartij dat duidelijk is aan wie betaald kan worden. Het pandrecht kan echter worden aangetoond middels de pandakte. Voorts kan in geval van faillissement een erkenning van het pandrecht worden verkregen van de curator.

Voor zover dan toch sprake mocht zijn van een onrechtmatig profiteren van een wanprestatie door de pandhouder, heeft dit tot gevolg dat hij aansprakelijk is voor de schade die de contractspartij daardoor lijdt. De contractspartij komt hierdoor in een lastig parket. Het te betalen bedrag verandert niet in geval van betaling aan een pandhouder, waardoor niet snel sprake zal zijn van schade ten gevolge van het onrechtmatig profiteren van de wanprestatie. Een dergelijke zaak is in de rechtspraak dan ook nog niet bekend.

Conclusie

In geval van een verpandingsverbod komt een pandrecht slechts dan niet tot stand, wanneer het verbod goederenrechtelijke werking heeft. Dit is enkel het geval wanneer uit de formulering van het beding voor iedere derde duidelijk is dat partijen dat zo hebben bedoeld. Het is niet relevant wat partijen daarover aanvullend hebben besproken.

Wanneer sprake is van een verpandingsverbod met slechts verbintenisrechtelijke werking, is het pandrecht rechtsgeldig tot stand gekomen en is de pandhouder bevoegd de verpande vorderingen te innen. Het verweer van debiteur dat een pandhouder daarmee onrechtmatig profiteert van de wanprestatie van de pandgever zal niet snel slagen vanwege de vereiste onrechtmatigheid en schade.

 

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een antwoord