Art. 6:127 lid 2 BW bepaalt wanneer de bevoegdheid tot verrekening bestaat. Art. 6:136 BW voorziet in de situatie dat bij de rechter als verweer tegen een vordering een beroep op verrekening met een eigen vordering wordt gedaan. Je hoeft dan geen reconventionele vordering in te stellen en voorkomt hogere proceskosten, maar het heeft ook een keerzijde.

De rechter kan het verrekeningsverweer namelijk negeren als de eigen vordering niet eenvoudig is vast te stellen. De rechter komt dan niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de bevoegdheid tot verrekening. De Hoge Raad heeft recent geoordeeld over een geval waarin een verrekeningsverweer op deze wijze door de rechter is gepasseerd.

 

Rechtbank passeert het verrekeningsverweer

Een bedrijf (VNG) is daarin gedagvaard voor een vordering van een ander bedrijf (Adsebu). Bij de rechtbank heeft VNG geprobeerd deze vordering te verrekenen met haar eigen vordering op Adsebu. De rechtbank heeft dat verrekeningsverweer met toepassing van art. 6:136 BW gepasseerd en de vordering van Adsebu toegewezen. De eigen vordering van VNG was volgens de rechter dus onvoldoende eenvoudig vast te stellen.

Ná de uitspraak van de rechtbank heeft VNG haar vermeende vordering op Adsebu overgedragen aan een aan haar gelieerde partij. Mede daardoor is in het ingestelde hoger beroep de rechtsvraag of VNG de bevoegdheid tot verrekening is kwijtgeraakt.

 

Hof: “VNG is nu niet bevoegd tot verrekening”

Het hof oordeelt dat de bevoegdheid tot verrekening moet worden beoordeeld op basis van de huidige feiten en omstandigheden. Dit is de zogeheten beoordeling “ex nunc”. Of die bevoegdheid bestond toen VNG zich bij de rechtbank op verrekening beriep, speelt volgens het hof geen rol. Een beoordeling “ex tunc” is volgens het hof dus niet aan de orde. Het hof oordeelt dat VNG niet bevoegd is tot verrekening, omdat zij haar vordering op Adsebu inmiddels heeft overgedragen. Door die overdracht heeft VNG geen vordering meer die zij met de vordering van Adsebu kan verrekenen.

VNG voert nog aan dat zij wel bevoegd was tot verrekening toen zij bij de rechtbank haar verrekeningsverweer voerde. De verrekening zou volgens VNG toen al hebben plaatsgevonden. Het hof oordeelt echter dat het verrekeningsverweer niet tot verrekening heeft geleid, omdat de rechtbank dat verweer heeft verworpen.

 

De zaak komt vervolgens terecht bij de Hoge Raad. Daar staat de vraag centraal of de beoordeling van een verrekeningsverweer ex nunc of ex tunc moet plaatsvinden.

 

Hoge Raad: “moment dat het beroep op verrekening is gedaan, is beslissend”

De Hoge Raad stelt voorop dat de bevoegdheid tot verrekening moet bestaan op het moment dat tegenover een schuldeiser een beroep op verrekening wordt gedaan. Als die bevoegdheid op dát moment bestaat, gaan beide vorderingen door verrekening teniet. Op grond van art. 6:136 BW kan de rechter, ondanks een verrekeningsverweer, de vordering van de schuldeiser toch toewijzen. Zoals gezegd komt de rechter dan niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de bevoegdheid tot verrekening. Volgens de Hoge Raad moet de rechter in hoger beroep daarom alsnog beoordelen of de bevoegdheid tot verrekening bestond op het moment dat een beroep op verrekening is gedaan, een toetsing ex tunc dus.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof in het midden heeft gelaten of de rechtbank het verrekeningsverweer van VNG terecht heeft gepasseerd. Daarmee is de mogelijkheid opengebleven dat de beide vorderingen door het beroep op verrekening van VNG inderdaad teniet zijn gegaan. In dat geval zou de latere overdracht van de vordering van VNG geen afbreuk meer kunnen doen aan die verrekening. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof en verwijst de zaak terug naar een ander hof. Dat hof zal de zaak verder inhoudelijk behandelen.

 

Conclusie

De Hoge Raad maakt in deze uitspraak duidelijk naar welk moment de bevoegdheid tot verrekening moet worden beoordeeld. Beslissend is het moment waarop daadwerkelijk een beroep op verrekening wordt gedaan, ook als dat moment in het verleden ligt. Ook biedt de Hoge Raad duidelijkheid over het passeren van een verrekeningsverweer op grond van art. 6:136 BW. Het verweer is daarmee niet inhoudelijk beoordeeld, zodat een eventuele hogere rechter moet nagaan of het verweer terecht is gepasseerd. Zo nee, dan moeten de bevoegdheid tot verrekening en het verweer alsnog door de hogere rechter worden beoordeeld.

In de praktijk zijn verrekeningen van facturen tussen bedrijven aan de orde van de dag.  Door de duidelijkheid van de Hoge Raad, een verrekeningsverweer moet ex tunc worden beoordeeld én in appel ook opnieuw onderzocht, is het voeren van een verrekeningsverweer iets minder “risicovol”. Je verliest immers niks. Wil je echter zeker zijn van een inhoudelijke behandeling van je tegenvordering, stel dan een vordering in reconventie in!

 

Verrekening in en buiten faillissement is juridisch lastige materie: schakel op tijd een specialist in bij vragen!