In het arrest van de Hoge Raad van 14 augustus 2015 legt de Hoge Raad uit wat de gevolgen zijn van vermenging van verpande en niet-verpande zaken voor het pandrecht. De uitkomst is verhelderend en in het voordeel van de pandhouder.

In deze zaak ging het om een aluminiumproducent. De pandhouder had een pandrecht op de voorraad vloeibaar aluminium. Toen de aluminiumproducent failliet ging, lag er nog vloeibaar aluminium in de ovens, dat vervolgens is gestold. Vastgesteld is dat er geen pandrecht rustte op het aluminium dat ná faillissement was geproduceerd. De vraag is nu of de pandhouder een pandrecht heeft op het gestolde aluminium in de ovens.

Het Hof oordeelde van niet, omdat het vloeibare aluminium zou zijn tenietgegaan door vermenging met nadien geproduceerd aluminium (waar geen pandrecht op rustte).

In geval van vermenging is art. 5:14 en 5:15 BW van toepassing. Hierin is het wettelijke uitgangspunt vastgelegd dat een zaak die bestanddeel wordt van een hoofdzaak, het eigendom wordt van de eigenaar van de hoofdzaak. Wanneer geen van de samengevoegde zaken als hoofdzaak is aan te wijzen, worden de verschillende eigenaren mede-eigenaars van de nieuwe zaak. Van een hoofdzaak is sprake als de waarde van de ene zaak de waarde van de andere zaak (het bestanddeel) aanmerkelijk overtreft of wanneer volgens verkeersopvattingen (gebruiken in de branche) een hoofdzaak is aan te merken.

De Hoge Raad legt uit wat er gebeurt met het pandrecht, wanneer sprake is van vermenging van verpande en niet-verpande zaken:

Is één van de vermengde zaken hoofdzaak?
Enkel indien het pandrecht rustte op een zaak die door de vermenging bestanddeel van de hoofdzaak wordt, vervalt het pandrecht. Indien het rustte op de hoofdzaak, blijft het pandrecht bestaan en komt het tevens te rusten op de bestanddelen daarvan.

Is geen van de vermengde zaken hoofdzaak?
Dan ontstaat een nieuwe zaak. In zo’n geval ontstaat van rechtswege (dus vanzelf) een nieuw pandrecht op een aandeel in de nieuwe zaak ten behoeve van degene die het pandrecht op de door vermenging tenietgegane zaak had gevestigd. Dit is niet anders in geval van een faillissement van de eigenaar van die zaak.

De Hoge Raad benadrukt ook dat bij de beoordeling of sprake is van een hoofdzaak niet snel moet worden aangenomen dat het waardeverschil tussen de zaken ‘aanmerkelijk’ is.

De Hoge Raad verwijst de zaak terug naar het Hof om de kwestie opnieuw te beoordelen aan de hand van deze criteria. To be continued …

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie