Wettelijke bevoegdheden
Op grond van art. 3:246 lid 1 BW is de pandhouder – na mededeling van het pandrecht aan de schuldenaar – bevoegd om in en buiten rechte nakoming van een verpande vordering te eisen en betalingen in ontvangst te nemen. Op grond van lid 2 is de pandhouder tevens bevoegd tot opzegging, indien dat noodzakelijk is om een vordering opeisbaar te maken.

Neo River-arrest
Begin vorig jaar heeft de Hoge Raad een zaak voorgelegd gekregen, waarin een pandrecht rustte op een schadevergoedingsvordering wegens wanprestatie. De pandgever had afstand gedaan van deze vordering en het Hof oordeelde dat de pandgever hiertoe bevoegd was. Het doen van afstand van een vordering is een schuldeisersbevoegdheid. De Hoge Raad legt uit hoe de schuldeisersbevoegdheden wettelijk verdeeld zijn om tot een oordeel in deze zaak te komen.

De Hoge Raad verwijst naar het hierboven genoemde artikel, waaruit blijkt dat de pandhouder – na mededeling aan de schuldenaar – bevoegd is de verpande vordering te innen en haar door opzegging opeisbaar te maken. De overige schuldeisersbevoegdheden met betrekking tot de vordering blijven volgens de Hoge Raad rusten bij de pandgever. De pandgever blijft dus bevoegd tot het verlenen van kwijtschelding, het treffen van een afbetalingsregeling, het omzetten van de vordering tot nakoming in een vordering tot schadevergoeding of de ontbinding en het doen van afstand van een vordering. De Hoge Raad bekrachtigt dan ook de beslissing van het Hof dat de pandgever bevoegd was tot het doen van afstand van de vordering, waardoor de vordering teniet is gegaan en de pandhouder hierop geen aanspraak meer kan maken.

In deze zaak hadden de pandgever en pandhouder geen aanvullende afspraken gemaakt ten aanzien van de bevoegdheden van de pandhouder. Het Neo River-arrest roept de vraag op in hoeverre pandhouder en pandgever een afwijkende verdeling van bevoegdheden kunnen overeenkomen. De pandhouder heeft er immers belang bij om zonder instemming van de pandgever handelingen te verrichten die samenhangen met de vordering, zoals het treffen van een betalingsregeling of een schikking met de schuldenaar. Een dergelijke kwestie is al eens voorgelegd aan de Rechtbank te Rotterdam.

Rechtbank Rotterdam 6 april 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BQ9455
In deze zaak was de pandhouder conform zijn algemene voorwaarden bevoegd om onder meer schikkingen te treffen ten aanzien van de verpande vorderingen. De pandhouder heeft dit dan ook gedaan, na faillissement van de pandgever, zonder voorafgaande toestemming van de curator. De Rechtbank oordeelt dat de pandhouder inderdaad conform zijn algemene voorwaarden bevoegd was om de schikking te treffen en dat het faillissement van de pandgever hieraan niets af doet. Voorts oordeelt de Rechtbank dat de pandhouder hiervoor geen toestemming van de curator nodig had.

Conclusie
Op grond van de wet is de pandhouder slechts bevoegd een verpande vordering te innen en haar door opzegging opeisbaar te maken. Deze bevoegdheden kunnen echter worden uitgebreid door afspraken tussen de pandgever en de pandhouder, bijvoorbeeld door aanvullende bevoegdheden voor de pandhouder in de toepasselijke algemene voorwaarden op te nemen. Deze afspraken vervallen niet door het faillissement van de pandgever.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie