De wet regelt enkele bevoegdheden van een pandhouder die een pandrecht op een vordering heeft (artikel 3:246 BW). De belangrijkste is dat de pandhouder de vordering mag incasseren.

Belang pandhouder
De pandhouder heeft belang bij meer bevoegdheden. Bij het innen van een vordering komt het regelmatig voor dat de debiteur van de verpande vordering slechts zal gaan betalen, als hij finale kwijting krijgt voor een deel van de vordering of als er een betalingsregeling wordt afgesproken.

Zonder de bevoegdheid om met de debiteur een schikking te treffen en om een betalingsregeling af te spreken, zal de pandhouder voor het treffen van schikkingen en betalingsregelingen steeds zijn aangewezen op de toestemming van de pandgever of, bij het faillissement van de pandgever, de curator.

Belang curator
De curator zal meestal een boedelbijdrage vragen voor zijn medewerking en er kan discussie ontstaan of er geschikt dient te worden en over de hoogte van het schikkingsbedrag. De schuldeisers van de failliete pandgever, vertegenwoordigd door de curator, hebben er belang bij dat de pandhouder zich volledig inspant om het maximale resultaat te bereiken bij het incasseren van de vordering. Als de pandhouder zijn vordering volledig kan verhalen op het geïnde, zal het eventuele overschot namelijk in beginsel toekomen aan de boedel. In het geval de pandhouder beschikt over voldoende zekerheden ter dekking van zijn vordering op de pandgever, zal bij de curator wellicht de vrees ontstaan dat de pandhouder zich niet volledig zal inspannen voor een maximaal resultaat bij schikkingsonderhandelingen.

Een zelfstandige schikkingsbevoegdheid van de pandhouder stuit in de praktijk dus vaak op weerstand van de curator, en de afhankelijkheid van de toestemming van de pandgever, dan wel de curator, leidt tot kosten en vertraging voor de pandhouder.

Mogelijkheden
Als een pandhouder zelfstandig een regeling tegen finale kwijting met een schuldenaar wil overeenkomen, kan hij met de pandgever de bevoegdheden van de pandhouder contractueel uitbreiden. Zo bepaalde de Rechtbank Rotterdam op 6 april 2011 (ECLI:NL:RBROT:2011:BQ9455) (1).
De pandhouder doet er goed aan deze contractuele uitbreiding anders dan via de volmacht of lastgeving te bedingen, aangezien zowel de volmacht als de last eindigen in geval van faillissement van de volmachtgever (artikel 3:72 BW) respectievelijk de lastgever (artikel 7:422 lid 1, onder a BW). De pandhouder zal met de pandgever moeten afspreken dat hij onherroepelijk bevoegd is om schikkingen te treffen bij het incasseren van de vorderingen, in plaats van ‘gemachtigd’. Ook de privatieve last kan mogelijk uitkomst bieden (artikel 7:423 BW).

Ook zonder een contractuele uitbreiding van de bevoegdheden is er een mogelijkheid voor de pandhouder om zelfstandig schikkingen te treffen. De pandhouder kan een schikking tegen finale kwijting overeenkomen met de debiteur van de verpande vordering, en vervolgens het gehele bedrag van de vordering waarvoor geschikt is, in mindering brengen op zijn vordering op de pandgever. Op deze manier wordt de pandgever niet benadeeld. Er ontstaat namelijk dezelfde situatie als in het geval de pandhouder de volledige vordering zou hebben geïncasseerd. Ook in geval van faillissement van de pandgever worden door deze handelswijze de overige schuldeisers in het faillissement niet benadeeld. En de pandhouder ziet slechts af van een concurrente vordering die meestal van weinig waarde is (voor een vergelijkbaar standpunt zie deze link).

Conclusie
Door de vordering op de pandgever te verminderen met het gehele bedrag van de verpande vordering, heeft de pandgever, dan wel de boedel in geval van faillissement van de pandgever, geen enkel nadeel van de schikking. De pandgever of diens curator hebben er in dat geval geen belang bij om de pandhouder te verplichten toestemming  voor een schikking te vragen.

De vraag is of het vragen van toestemming door de pandhouder überhaupt nodig is wanneer deze zijn rechten contractueel verruimd heeft. De discussie hierover is in volle gang en het wachten is op een casus die het tot de Hoge Raad gaat redden.

(1) Deze uitspraak is niet achterhaald door het arrest van de Hoge Raad van 21 februari 2014 (ECLI:NL:HR:2014:415). In dit ‘Neo River arrest’ bepaalde de Hoge Raad dat de pandgever na mededeling van het pandrecht door de pandhouder aan de schuldenaar bevoegd blijft kwijtschelding van de vordering te verlenen of een betalingsregeling met de schuldenaar overeen te komen. In dit arrest heeft de Hoge Raad echter niets gezegd over mogelijkheid voor de pandhouder om een uitbreiding van zijn bevoegdheden overeen te komen met de pandgever.

 

 

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie