De registratie van de pandakte

In deze blog wordt ingegaan op de registratie van de pandakte als vestigingsvereiste voor een geldig pandrecht op vorderingen. Wat is het precieze moment van registratie en waarom is deze toetsing van belang?

Vestigingsvereiste
Voor de vestiging van een pandrecht op vorderingen is volgens art. 3:84 BW vereist:

– levering;

– geldige titel;

– beschikkingsbevoegdheid.

Wanneer aan één of meer van deze eisen niet is voldaan, is het pandrecht niet gevestigd. In een eerdere blog gingen we in op de eis van beschikkingsbevoegdheid. In geval van faillissement van de pandgever, is deze niet langer beschikkingsbevoegd en kan dus geen pandrecht worden gevestigd. Het toetsingsmoment hiervoor is het moment van vestiging van het pandrecht. Maar wat is nu precies het moment van vestiging van het pandrecht? Op welke datum moest de pandgever beschikkingsbevoegd zijn? Gelet op de hierboven genoemde voorwaarden is het pandrecht pas gevestigd, wanneer de levering van het pandrecht is voltooid.

Levering van het pandrecht
De levering kan volgens art. 3:94 BW op verschillende manieren plaatsvinden, namelijk:

  1. door mededeling van het pandrecht aan de debiteuren. Het pandrecht is dan meteen openbaar geworden, er is dan geen sprake van een stil pandrecht.
  2. door een authentieke pandakte. Dit is een pandakte die door een notaris is opgesteld en gewaarmerkt.
  3. door de pandakte te registreren.

Bij de laatste twee opties is sprake van een stil pandrecht.

Vaak wordt voor de laatste optie gekozen, namelijk de registratie van de pandakte bij de Belastingdienst.

Registratie pandakte bij Belastingdienst
De registratie van pandakten bij de Belastingdienst is een administratieve procedure. Deze vangt aan met de inboeking van de akten op de dag van aanbieding. Vervolgens worden de gegevens in het register verwerkt en wordt afgesloten met het aanbrengen van een stempel op de akten. Vaak vindt deze hele procedure in één dag plaats, maar het komt wel eens voor dat de registratie op een andere dag plaatsvindt dan op de dag van aanbieding. In de zaak Spaarbank Rivierenland/Gispen q.q. uit 1995 was de pandakte meerdere dagen na de dag van aanbieding geregistreerd. De Hoge Raad heeft daarin geoordeeld dat als dag van registratie wordt aangemerkt de dag waarop de akte ter registratie is aangeboden.

Ruim 20 jaar na dato blijft dit interessante materie, nu het Gerechtshof in ’s-Hertogenbosch deze maand in een zaak moest oordelen over het moment van registratie van de pandakte. De partij die zich beriep op het pandrecht stelde zich op het standpunt dat de dag waarop de akte ter registratie is aangeboden de dag is waarop de akte is verzonden aan de Belastingdienst. Het Hof oordeelde echter dat ook hier de ontvangsttheorie moet worden toegepast. Deze ontvangsttheorie is vastgelegd in art. 3:37 lid 2 BW en houdt in dat een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring pas werking heeft, wanneer deze verklaring die persoon heeft bereikt. De Hoge Raad oordeelde dan ook dat de datum van registratie wordt bepaald door de datum waarop de Belastingdienst de akte heeft ontvangen ter registratie.

Conclusie
Voor de beoordeling van de rechtsgeldigheid van een pandrecht op vorderingen is het moment van vestiging bepalend. Het moment van vestiging wordt bepaald door het moment van levering van het pandrecht. In geval van levering door middel van registratie bij de Belastingdienst, is de levering voltooid op het moment waarop de pandakte ter registratie wordt aangeboden en dat is wanneer de Belastingdienst de pandakte ter registratie heeft ontvangen. De datum van de registratiestempel is niet leidend. Voor pandhouders is van belang dat een bewijs van ontvangst door de Belastingdienst in het eigen dossier wordt bewaard, bijvoorbeeld door de pandakte aangetekend te verzenden, of deze persoonlijk of door een koerier af te geven en daarbij een bewijs van ontvangst te laten ondertekenen.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie