Het onderzoeksrapport “Doing Business 2018” van de Wereldbank heeft voor nogal wat ophef gezorgd. In dit onderzoeksrapport komt naar voren dat de recovery rate van banken in Nederland in geval van faillissement van de schuldenaar 89 procent bedraagt.

Dit percentage steekt opvallend af tegen de percentages voor gewone handelscrediteuren en ondernemingen, namelijk een recovery rate tussen de 1 en 5 procent.

Naar aanleiding van dit rapport zijn Kamervragen gesteld over de sterke rechtspositie van banken in het geval van insolventie, zijn artikelen geschreven die beschrijven waarom “de banken bij faillissementen altijd aan het langste eind trekken” en bespreekt professor Kortmann van de Radboud Universiteit Nijmegen in zijn afscheidsrede dat het faillissement een paradijs is voor banken. Banken zouden volgens Kortmann geheimzinnig doen over hun recovery rates en de vraag wordt gesteld of de rechtspraak niet te bankvriendelijk is. Zelf schat Kortmann in dat de recovery rate voor banken 20 tot 30 keer zo hoog is als die van gewone crediteuren. De recovery rate van de banken wordt voorts kritisch aangekaart in meerdere reacties op de consultatie met betrekking tot het voorontwerp van de Wet opheffing verpandingsverboden. Er lijkt een steeds sterker groeiende weerstand te bestaan tegen de positie van de bank als pandhouder in faillissementen van ondernemingen. Is deze weerstand wel terecht?

Minister Dekker van Rechtsbescherming merkt in zijn antwoorden op de voornoemde Kamervragen op dat het in ieders belang is dat ondernemers ondernemen en dat daarvoor krediet nodig is. Het is dan ook van belang dat banken bereid zijn dit krediet te verstrekken en dat zal slechts het geval zijn wanneer zij voldoende zekerheid hebben dat zij genoeg verhaalsmogelijkheden hebben. Dit belang lijkt echter vooralsnog niet door de grote massa te worden geaccepteerd. Minister Dekker merkt voorts terecht op dat het onderzoek van de Wereldbank te beperkt is geweest. Het rapport is namelijk gebaseerd op een fictieve casus, waarin het uitgangspunt was dat “de hoogte van het krediet gelijk is aan de marktwaarde van het onderpand. De recovery rate is dan per definitie hoog, omdat het onderpand de lening volledig dekt. De waarde van een onderpand is in de praktijk echter veel lager dan de vordering. Om de recovery rate van banken goed te kunnen onderzoeken, is dus meer nodig dan een fictieve casus waarbij het krediet gelijk is aan de marktwaarde van het onderpand.” Het is dus niet realistisch om uit te gaan van een recovery rate van 89 procent.

Er is weinig repliek van de zijde van de banken is geweest op deze kritiek. Desgevraagd hebben de drie grootbanken deze zomer laten weten geen mededelingen hierover te willen of kunnen doen. Het is begrijpelijk dat banken huiverig zijn hun recovery rate te publiceren. Vanwege de werking die daarvan uitgaat richting huidige klanten die ondergebracht zijn bij een risk-afdeling, maar ook gezien de diversiteit in kredieten en afwikkelingen waardoor een flat percentage eigenlijk niets zegt. Wij vermoeden in ieder geval dat dit onderwerp, dat ook op publiekelijke belangstelling mag rekenen, voorlopig flink onder de aandacht zal blijven.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie