De Hoge Raad heeft onlangs een interessante uitspraak gedaan over de rangwijziging en inningsbevoegdheid bij pandrechten. Lange tijd was onduidelijk of verschillende pandhouders op hetzelfde goed onderling kunnen afspreken welk pandrecht de hoogste rang heeft. De discussie over die zogenaamde rangwijziging is met deze uitspraak naar de geschiedenisboeken verwezen. Daarnaast komt de Hoge Raad terug op een eerdere uitspraak over hoe ver de inningsbevoegdheid van de pandhouder gaat.

 

Meerdere pandhouders op dezelfde vordering

In deze zaak staan de vorderingen van het bedrijf Recycling centraal. ABN Amro, Holding en Beheer hebben allemaal een pandrecht op die vorderingen. Het pandrecht van ABN is als eerste gevestigd. Later zijn ook de pandrechten van Holding en Beheer gevestigd, beide op dezelfde dag. Holding, Beheer en Recycling hebben afgesproken dat het pandrecht van Holding voorgaat op het pandrecht van Beheer. Er is dus een rangorde afgesproken met betrekking tot deze pandrechten.

Op een zeker moment heeft ABN mededeling van haar pandrecht gedaan aan de debiteuren van Recycling. ABN en Holding spreken vervolgens af dat ABN alle verpande vorderingen gaat innen. Als ABN haar volledige vordering op Recycling uit de opbrengst kan voldoen, krijgt Holding het overschot.

Nog voordat het overschot is overgemaakt, gaan Beheer en Recycling failliet. Er ontstaat een geschil tussen Holding en de curator van Beheer en Recycling. Daarbij staat de vraag centraal wie nu recht heeft op het overschot.

 

Holding versus de curator

Holding meent dat zij recht heeft op het volledige overschot van de door ABN geïnde vorderingen. Dat was immers met ABN afgesproken. De curator treedt in twee hoedanigheden op: als curator van Recycling en als curator van Beheer.

Vanuit Recycling bezien, stelt hij dat ABN überhaupt niet bevoegd was om het overschot te innen. Dit omdat de vordering van ABN daarvóór al was voldaan. Het overschot behoort volgens de curator daarom tot de faillissementsboedel van Recycling. Voor Holding zou dit nadelig zijn, omdat haar vordering dan via de boedel zou worden voldaan. In dat geval zou zij moeten meedelen in de algemene faillissementskosten (art. 182 Fw). Doorgaans blijft er dan niets of weinig van de opbrengst over.

Vanuit Beheer bezien, stelt de curator dat het pandrecht van Beheer dezelfde rang heeft als het pandrecht van Holding. De met Beheer en Recycling afgesproken rangwijziging zou niet rechtsgeldig zijn. Ook Beheer zou daarom aanspraak kunnen maken op het door ABN geïnde overschot.

 

Inningsbevoegdheid van de pandhouder

Over het eerste geschilpunt overweegt de Hoge Raad het volgende:

In het algemeen is een pandhouder, na mededeling van zijn pandrecht aan de debiteur, exclusief bevoegd om vorderingen te innen. Dit volgt uit art. 3:246 BW. Deze bevoegdheid strekt zich volgens de Hoge Raad uit over alle vorderingen die aan de pandhouder zijn verpand. De hoogte van de eigen vordering van de pandhouder speelt daarbij geen rol. Wanneer van meerdere pandrechten mededeling is gedaan, is alleen de hoogst gerangschikte openbaar pandhouder inningsbevoegd (art. 3:246 lid 3 BW). Een eventueel overschot komt dan toe aan de andere pandhouders (art. 3:253 BW). Op basis van deze regels mocht ABN de vorderingen van Recycling blijven innen, ook nadat haar eigen vordering was voldaan.

Met dit oordeel komt de Hoge Raad gedeeltelijk terug op een uitspraak uit 2015, waarover wij deze blog schreven. Het ging daarin wel om een andere kwestie. Vraag was of de pandhouder ook een pandrecht kan uitwinnen dat is gevestigd ter verzekering van de aan hem verpande vordering. De Hoge Raad oordeelde toen dat de pandhouder dit onderliggende pandrecht kan uitwinnen “tot de hoogte van zijn eigen vordering”. Het eerste zinsdeel blijft in stand, op het laatste zinsdeel komt de Hoge Raad in de huidige uitspraak terug.

 

Rangwijziging pandrecht is mogelijk

Over het tweede geschilpunt overweegt de Hoge Raad dat voor de rangorde van pandrechten als uitgangspunt de prioriteitsregel geldt. Volgens die regel bepaalt het tijdstip waarop het pandrecht is gevestigd welke rang het pandrecht heeft. Hoe eerder het pandrecht is gevestigd, hoe hoger de rang. Wanneer pandrechten op dezelfde dag zijn gevestigd, is hun rang in beginsel gelijk.

Het recht van pand is vergelijkbaar met het recht van hypotheek. De rangwijziging van hypotheekrechten is in de wet geregeld. Voor die rangwijziging is toestemming nodig van de hypotheekhouder wiens hypotheekrecht in rang wordt verlaagd (art. 3:262 BW).

Voor het pandrecht bevat de wet niet dezelfde regeling als voor het hypotheekrecht. Volgens de Hoge Raad past het echter in het stelsel van de wet om aan te nemen dat ook bij het pandrecht een rangwijziging mogelijk is. Art. 3:262 BW kan daarbij analoog worden toegepast.

 

Regels voor rangwijziging pandrecht

Volgens de Hoge Raad betekent dit dat het ene pandrecht, buiten de prioriteitsregel om, een hogere rang kan krijgen dan het andere pandrecht. Ook daarvoor is toestemming nodig van de pandhouder wiens pandrecht in rang wordt verlaagd. Bovendien moet de toestemming aan dezelfde eisen voldoen als de vestiging van het pandrecht. Bij een stil pandrecht op vorderingen betekent dit dat de toestemming moet blijken uit een notariële of bij de Belastingdienst geregistreerde akte (art. 3:239 BW). De rangwijziging kan op ieder moment worden afgesproken: bij de vestiging van het pandrecht, en ook naderhand.

Het kan voorkomen dat partijen niet direct bij de rangwijziging zijn betrokken, maar hun rechtspositie daardoor wel is geraakt. Aan hen kan de rangwijziging alleen worden tegengeworpen als zij met de rangwijziging instemmen. Die instemming is vormvrij en hoeft dus niet te voldoen aan dezelfde eisen als de toestemming van de “verlaagde” pandhouder.

Op basis van deze overwegingen oordeelt de Hoge Raad dat de tussen Holding, Beheer en Recycling afgesproken rangwijziging is toegestaan. Het pandrecht van Holding heeft dus een hogere rang dan het pandrecht van Beheer.

Het geïnde overschot komt volledig toe aan Holding, omdat zij na ABN de hoogst gerangschikte pandhouder is.

 

Conclusie

Deze uitspraak maakt duidelijk dat een rangwijziging ook bij pandrechten mogelijk is. Daarmee komt de Hoge Raad tegemoet aan de behoefte die daaraan in de praktijk bestaat. Voor pandhouders die een rangwijziging willen afspreken, bestaat nu de zekerheid dat die afspraak in beginsel mogelijk is. Belangrijkste voorwaarde is dat de toestemming van de in rang verlaagde pandhouder aan de eisen van art. 3:239 BW voldoet.

Ook is duidelijk dat de hoogst gerangschikte pandhouder, na mededeling van zijn pandrecht, alle verpande vorderingen mag innen. Dit geldt ook wanneer hij een pandrecht uitwint dat is gevestigd ter verzekering van de aan hem verpande vordering. De Hoge Raad verduidelijkt dat uit de uitspraak uit 2015 niet een beperking van de inningsbevoegdheid moet worden afgeleid. De pandhouder mag gewoon het bedrag innen dat boven zijn eigen vordering uitgaat. Een overschot wordt uitgekeerd aan de andere pandhouders of, als er geen andere pandhouders zijn, aan de pandgever.

De besproken zaak laat zien dat meervoudige verpanding van vorderingen lastige materie is. Het geschil kon ontstaan omdat Holding pas laat mededeling van haar pandrecht deed aan de curator. Wij adviseren pandhouders dan ook om het pandrecht altijd mee te delen aan andere pandhouders en aan de curator. Bovendien is het raadzaam om de inning van de verpande vorderingen altijd zelf ter hand te nemen. Ook raden wij aan om een eventueel overschot altijd aan andere pandhouders uit te keren, in volgorde van hun rang. Uitkering van het overschot aan de curator levert meestal een ingewikkelde discussie op, zoals deze zaak wel aantoont.

In deze eerdere blog gingen wij dieper in op de bovenstaande aandachtspunten. Meervoudige verpanding kent eigen haken en ogen. Het devies is: zit niet stil als pandhouder!