Ook zaken met een eigendomsvoorbehoud kunnen worden verpand

,

In geval van levering van een zaak onder eigendomsvoorbehoud, gaat het eigendom pas over wanneer de koopprijs is voldaan. Is het mogelijk om een dergelijke zaak te verpanden, nog vóórdat deze volledig is betaald?

Voor de vestiging van een pandrecht op een roerende zaak is één van de vereisten dat de pandgever ‘beschikkingsbevoegd’ is (art. 3:84 BW). Hiervan is sprake wanneer het recht bestaat om het goed over te dragen. Dit is in ieder geval zo wanneer het goed in eigendom is.

Geruime tijd is er onduidelijkheid geweest over de vraag of degene die een goed onder eigendomsvoorbehoud verkrijgt beschikkingsbevoegd is wanneer de koopprijs nog niet (volledig) is voldaan of dat hij dit pas wordt ná volledige betaling van de koopprijs. Immers, strikt genomen is het eigendom nog niet overgegaan voordat de prijs is betaald en zou geen sprake zijn van beschikkingsbevoegdheid. Dit zou betekenen dat het goed niet verpand zou kunnen worden.

Vorige week heeft de Hoge Raad hierin duidelijkheid verschaft.

Reuser/Rabobank, ECLI:NL:HR:2016:1046
In deze zaak ging het om een bepaalde machine die onder eigendomsvoorbehoud was geleverd en waarvoor slechts een deel van de koopprijs was betaald. De Rabobank had een pandrecht op (onder meer) alle huidige en toekomstige inventaris en voorraden van de onderneming die deze machine geleverd had gekregen. In de pandakte was bepaald: “Ingeval enige zaak of enig vermogensrecht waarop het pandrecht betrekking heeft of dient te hebben onder opschortende voorwaarde aan de pandgever is overgedragen, strekt dat pandrecht zich uit tot de voorwaardelijke eigendom van die zaak, respectievelijk tot het voorwaardelijk recht met betrekking tot dat vermogensrecht.”

Vervolgens is de pandgever failliet verklaard en heeft de Rabobank de resterende koopprijs voor de machine voldaan, waarna deze is verkocht en de opbrengst ervan aan de Rabobank is voldaan. De curator is het hiermee echter niet eens. Hij stelt dat er vóór de faillietverklaring nog geen pandrecht op de machine was gevestigd, omdat de koopprijs toen nog niet volledig was betaald en derhalve het eigendom nog niet was overgegaan. Er zou dus niet zijn voldaan aan de eis van beschikkingsbevoegdheid voor de vestiging van het pandrecht. Vervolgens zou het eigendom pas ná de faillietverklaring – namelijk door de restantbetaling van de Rabobank aan de leverancier – zijn overgegaan. Ook op dat moment zou de machine niet onder het pandrecht hebben kunnen vallen, omdat het faillissement op grond van art. 23 Fw steeds tot gevolg heeft dat de gefailleerde beschikkingsonbevoegd wordt.

De Hoge Raad stelt de Rabobank in het gelijk en oordeelt dat zij de rechthebbende van de opbrengst is. Daartoe overweegt hij dat het eigendomsrecht al ontstaat zodra de zaak onder eigendomsvoorbehoud wordt geleverd, dit betreft namelijk een ‘voorwaardelijk’ eigendomsrecht, ook wel een eigendomsrecht ‘onder opschortende voorwaarde’ van betaling van de volledige koopprijs.

Het oordeel luidt daarom dat reeds vóór faillissement voldaan was aan het vereiste van beschikkingsbevoegdheid en dat dus een pandrecht op het voorwaardelijke eigendomsrecht was gevestigd. Wanneer de opschortende voorwaarde (betaling van de koopprijs) ná faillissement wordt vervuld, groeit het pandrecht volgens de Hoge Raad van rechtswege uit tot een pandrecht op de volle eigendom van de desbetreffende zaak.

Overigens oordeelt de Hoge Raad in deze zaak verder dat het verpandingsverbod in de algemene voorwaarden van de leverancier van de machine aan het voorgaande niet in de weg staat, omdat het niet mogelijk is om de overdracht (dan wel verpanding) van een eigendomsrecht contractueel uit te sluiten (art. 3:83 BW).

Conclusie
Deze uitspraak van de Hoge Raad is positief voor de financieringspraktijk, omdat hierin wordt bevestigd dat verpanding mogelijk is van zaken die onder eigendomsvoorbehoud aan de pandgever zijn geleverd.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een antwoord