Onderhanden werk toch wél te verpanden

, ,

De Hoge Raad heeft afgelopen vrijdag het oordeel van het Hof te Amsterdam dat onderhanden werk in de zorg niet te verpanden is, vernietigd.

Vorig jaar blogden wij over deze zaak. Een zorgaanbieder die een pandrecht op zijn vorderingen had verstrekt, was failliet verklaard. De vraag was of het onderhanden werk onder het pandrecht viel. Als een vordering niet is ontstaan vóór faillissement van de pandgever, dan kan deze niet worden verpand. Tussen de verschillende partijen waren geen afspraken gemaakt over het moment van het ontstaan van de vorderingen. Het Hof leidde het ontstaansmoment vervolgens af van het DBC-systeem dat bepaalde dat de zorgaanbieder pas mag factureren als een behandeling is afgerond. De werkzaamheden aan behandelingen die nog niet vóór het faillissement waren afgerond, konden volgens het Hof dus niet worden verpand.

Oordeel Hoge Raad
De Hoge Raad heeft met de vernietiging van het oordeel van het Hof benadrukt dat het DBC-systeem slechts de tarieven en het betalingsverkeer in de zorg bepaalt. Deze regulering is van publiekrechtelijke aard en heeft geen betrekking op de civielrechtelijke grondslag voor de aanspraak op vergoeding van de kosten van verleende zorg.

Deze civielrechtelijke grondslag volgt uit art. 7:461 BW. Dit artikel geldt niet alleen voor geneeskundige behandelingsovereenkomsten, maar voor alle overeenkomsten van opdracht. De Hoge Raad concludeert uit de Parlementaire Geschiedenis:

“Uit de aard van zodanige overeenkomst vloeit evenwel voort dat de vordering tot betaling van loon (behoudens andersluidende partijafspraak) ontstaat nadat de overeengekomen werkzaamheden zijn verricht. Indien de opdracht behelst dat gedurende langere tijd werkzaamheden worden verricht, of betrekking heeft op werkzaamheden die uit meerdere onderdelen bestaan, kan dat meebrengen dat tussentijds, dat wil zeggen voordat de opdracht geheel is uitgevoerd, loonaanspraken ontstaan.”

Conclusie
Als tussen partijen géén andere afspraken zijn gemaakt, ontstaan de vorderingen in de zorg niet pas na afronding van de volledige behandeling, maar direct na de verschillende deelbehandelingen. Dit staat los van de regels over de facturatie van de behandelingen. Hiermee hakt de Hoge Raad een belangrijke knoop door in de discussie over verpanding van vorderingen uit hoofde van onderhanden werk. Het onderhanden werk kan volgens de Hoge Raad wel degelijk worden verpand.

Overigens geldt dit oordeel van de Hoge Raad niet alleen voor de zorg-branche, maar voor alle overeenkomsten van opdracht. Ook in andere branches is het derhalve mogelijk het onderhanden werk te verpanden. Dit valt onder het pandrecht op de vorderingen.

Waar wij in onze vorige blog beargumenteerden dat uitbreiding van de mogelijkheden voor verpanding contractueel te regelen is, is het met deze uitspraak van de Hoge Raad zaak om alert te zijn op contractuele beperkingen van de nu geformuleerde hoofdregel.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een antwoord