De curator van een failliet bedrijf is na zijn aanstelling verantwoordelijk voor de naleving van milieuvoorschriften. Wanneer die milieuvoorschriften vóór de faillietverklaring zijn overtreden, kunnen daardoor ná de faillietverklaring verplichtingen ontstaan. De Hoge Raad heeft onlangs een interessante uitspraak gedaan over deze milieuverplichtingen in faillissement. Daarbij stond de vraag centraal of schulden die door die verplichtingen ontstaan, kwalificeren als boedelschuld. Boedelschulden worden bij voorrang uit de failliete boedel voldaan.

 

De overtreding en de verplichting

Ridderkerkse Taxi Centrale B.V. (‘RTC’) had een taxibedrijf met een wasserij. Vóór het faillissement van RTC heeft de gemeente Ridderkerk (‘de Gemeente’) RTC erop gewezen dat zij een milieuvoorschrift overtrad. De wasserij van RTC beschikte namelijk niet over de verplichte vloeistofdichte coating. De Gemeente heeft RTC gevraagd die coating alsnog aan te brengen. RTC heeft dat niet gedaan en is vervolgens failliet gegaan.

De curator van RTC beëindigt na één week de activiteiten van het bedrijf. De Gemeente wijst de curator dan op de verplichting om na beëindiging van een bodembedreigende activiteit een bodemonderzoek te doen. Uit het onderzoek dat de curator laat uitvoeren, blijkt dat er reden bestaat voor verder onderzoek. De Gemeente vraagt de curator dat verdere onderzoek te laten doen. Ook vraagt zij de curator om een plan te maken om de aanwezige verontreiniging te verwijderen. De curator laat weten dat hij dit allebei niet gaat doen.

De Gemeente legt de curator daarom een last onder dwangsom en een last onder bestuursdwang op. Dat zijn bestuursrechtelijke middelen, versterkt met (mogelijke) boetes, die bedoeld zijn om de curator aan de verzoeken te laten voldoen. De curator stelt geen bezwaar of beroep in, maar blijft weigeren om aan de verzoeken gehoor te geven. De Gemeente neemt daarom zelf de gevraagde maatregelen en dient de kosten daarvan als schuld in het faillissement in.

 

Het geschil

De Gemeente en de curator zijn het niet eens over de status van de ingediende schuld. De Gemeente vindt dat het gaat om een boedelschuld, de curator vindt dat er sprake is van een faillissementsschuld. Het verschil tussen beide is dat boedelschulden in het faillissement een hogere rang hebben. Daarom moet de curator eerst de boedelschulden uitbetalen. Daarná komen de gewone faillissementsschuldeisers pas aan bod. In de meeste faillissementen zit er te weinig vermogen in de boedel om hun vordering te voldoen. Daarom heeft de Gemeente belang bij de kwalificatie “boedelschuld”.

 

Rechtbank vraagt het aan de Hoge Raad

De Gemeente en de curator leggen hun geschil voor aan de rechtbank Rotterdam. Die oordeelt dat de vraag naar de status van een schuld die het gevolg is van het niet-nakomen van een milieuverplichting in de praktijk vaak speelt. Een antwoord op die vraag is van rechtstreeks belang in veel andere geschillen waarin dezelfde vraag speelt. Daarom besluit de rechtbank om de vraag voor te leggen aan de Hoge Raad (art. 392 Rv).

 

Hoge Raad: het is een boedelschuld!

De Hoge Raad overweegt dat de vraag of sprake is van een boedelschuld, moet worden beantwoord door de civiele rechter. Wanneer een bestuursrechter heeft geoordeeld dat de curator ‘overtreder’ van een milieuverplichting is, is dat daarvoor niet beslissend.

Vervolgens legt de Hoge Raad uit dat in drie gevallen sprake is van een boedelschuld:

  1. Als de wet een schuld als boedelschuld aanwijst;
  2. Als de curator in zijn hoedanigheid een schuld aangaat; en
  3. Als de curator een in zijn hoedanigheid na te leven verbintenis of verplichting niet nakomt en daardoor een schuld ontstaat.

De Hoge Raad bevestigt eerdere uitspraken van de hoogste milieurechters. Daarin is geoordeeld dat op de curator een zelfstandige verplichting rust om milieuvoorschriften na te komen. Als de curator die verplichting niet nakomt, kunnen tegen hem bestuursrechtelijke middelen worden ingezet. Schulden die daardoor ontstaan, zijn volgens de Hoge Raad boedelschulden. Die schulden vallen namelijk onder het hierboven onder 3 genoemde geval waarin sprake is van een boedelschuld. Daarbij maakt het niet uit wanneer de verontreiniging is ontstaan, wat voor soort milieuverplichting aan de orde is, etc. De Gemeente krijgt van de Hoge Raad dus gelijk.

 

Conclusie

Deze uitspraak maakt duidelijk dat milieuvoorschriften door de curator in zijn hoedanigheid moeten worden nageleefd, ongeacht de omstandigheden. Schulden die het gevolg zijn van een overtreding van deze voorschriften, kwalificeren in faillissement als boedelschuld. Voor de overheid als handhaver van milieuvoorschriften (en als schuldeiser) is dat een positieve uitkomst. Voor “normale” faillissementsschuldeisers betekent dit daarentegen een nieuwe, hoger gerangschikte, schuldeiser die in een faillissement voorrang op hen heeft.

De positie van pandhouders in een faillissement verandert met deze uitspraak niet. Op basis van art. 57 Fw kunnen zij hun recht uitoefenen alsof er geen faillissement is. Dat zorgt ervoor dat zij ook ten opzichte van boedelschuldeisers een sterkere positie innemen. Een extra boedelschuld zal de positie van de pandhouder dus niet aantasten. Dit geldt uiteraard alleen voor de pandhouder die zijn pandrecht tijdig openbaar heeft gemaakt!