Inleiding

Het komt wel eens voor dat een opdrachtenportefeuille wordt verkocht, bijvoorbeeld in het kader van een faillissement in geval van een doorstart. Een opdrachtenportefeuille vertegenwoordigt derhalve een economische waarde, waardoor de vraag rijst of hierop een pandrecht kan worden gevestigd. Deze vraag werd in augustus behandeld door de Rechtbank Noord-Holland.

Casus

In die zaak was een makelaarskantoor failliet gegaan en heeft de curator de opdrachtenportefeuille verkocht aan een derde. Uit deze opdrachtenportefeuille waren nog geen vorderingen tot courtage voor de makelaar ontstaan. De Bank had echter een pandrecht op alle bedrijfsactiva en stelde zich op het standpunt dat de opdrachtenportefeuille onder de verpande bedrijfsactiva viel. Volgens de Bank had de curator onrechtmatig gehandeld door desondanks de opdrachtenportefeuille aan een derde te verkopen. De Rechter oordeelde als volgt.

Oordeel Rechtbank

Volgens de Rechtbank is een opdrachtenportefeuille geen vastomlijnd juridisch begrip. Er bestaat geen algemeen aanvaarde definitie van het begrip “opdrachtenportefeuille”. De Rechtbank acht een opdrachtenportefeuille géén overdraagbaar vermogensrecht.

“Door het enkele verstrekken van een opdracht aan een makelaar ontstaan voor die makelaar nog geen concrete aanspraken jegens de opdrachtgever die als een (toekomstig) vermogensrecht kunnen worden beschouwd. Er zou hooguit gesproken kunnen worden van een “potentieel” recht (op courtage), namelijk in die gevallen waarin op enig moment een (koop- of huur)overeenkomst tot stand komt.”

Hierdoor komen we bij de materie over de vestiging van een pandrecht op toekomstige vorderingen. Daarover schreef ik deze blog, waarin staat uitgelegd dat een pandrecht op een toekomstige vordering slechts tot stand komt, als de overeenkomst waaruit die vordering voortvloeit reeds bestond ten tijde van de vestiging van het pandrecht en de pandgever op het moment van het ontstaan van de vordering beschikkingsbevoegd is.

Een opdrachtenportefeuille waaruit nog geen vorderingen voor de pandgever zijn ontstaan vóór faillissement, voldoet niet aan de voornoemde eisen. Volgens de Rechter kan de portefeuille daardoor niet als vermogensrecht in de zin van de wet worden beschouwd, waardoor het ook niet kan worden verpand. De overdracht van de opdrachtenportefeuille door de curator wordt niet gezien als een overdracht van een goed, maar als contractsoverneming in de zin van art. 6:159 BW.

Onderhanden werk

Deze uitspraak behoeft wel enige nuance. Daarbij is deze blog relevant, die ik eerder schreef over verpanding van onderhanden werk. Onderhanden werk kan immers ook gezien worden als een opdrachtenportefeuille. Er zijn situaties waarin onderhanden werk – anders dan in de hierboven omschreven zaak –  heeft geleid tot vorderingen die zijn ontstaan vóór faillissement van de pandgever. In die gevallen kan het onderhanden werk wél worden verpand.

Conclusie

Een opdrachtenportefeuille waaruit nog geen vorderingen zijn ontstaan vóór faillissement, valt in beginsel niet aan te merken als een vermogensrechtelijk goed en kan derhalve niet worden verpand. Dit is anders, wanneer het gaat om onderhanden werk, met andere woorden: een opdrachtenportefeuille, waaruit wél vorderingen zijn ontstaan vóór faillissement. Het onderscheid luistert nauw en is, in het voordeel van de pandhouder, te sturen door toepassing van goed geformuleerde algemene voorwaarden. Het verdient aanbeveling hier tijdig expertise bij in te schakelen.

 

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie