Begin 2016 constateerden wij een nieuwe tendens onder curatoren voor het zoveel mogelijk uitbreiden van het actief in de boedel: de “informatieplicht” van de pandhouder. Voor de blog die wij daarover schreven, klik hier.

Deze tendens is de afgelopen jaren verder doorgezet en geïntensiveerd door dergelijke verzoeken om informatie te combineren met een termijnstelling ex art. 58 lid 1 Fw. In deze blog zetten we de huidige stand van zaken op een rij.

Art. 58 lid 1 Fw
De curator kan de pandhouder een redelijke termijn stellen om zijn rechten als separatist uit te oefenen. Als dat niet binnen die termijn gebeurt, verliest de pandhouder zijn positie als separatist. De curator kan de verpande vorderingen daarna zelf incasseren dan wel opeisen. In dat geval behoudt de pandhouder zijn voorrang op de opbrengst, maar moet hij mee delen in de algemene faillissementskosten (waaronder het salaris van de curator). De pandhouder kan de rechter-commissaris eventueel verzoeken om een verlenging van de gestelde termijn.De bedoeling van art. 58 Fw is het bevorderen van een spoedige liquidatie en beschermen van de boedel bij dalende prijzen.

Wij merken in onze praktijk van de incasso van verpande vorderingen dat de termijn van art. 58 lid 1 Fw steeds vaker wordt ingezet als instrument om verpande zaken in de boedel te laten vloeien. In die gevallen creëert de curator, ondanks een goed lopende incasso en deugdelijke rekening en verantwoording door de pandhouder, een sfeer alsof de pandhouder informatie achterhoudt en een termijnstelling noodzakelijk is.

Het voorgaande leidt tot meerdere vragen:
– Hoeveel informatie moet de pandhouder delen met de curator?
– Wanneer is een gestelde termijn redelijk?
– Wanneer maakt de curator misbruik van zijn bevoegdheid?
Het antwoord op deze vragen is steeds afhankelijk van alle omstandigheden van het geval (A/Van der Molen q.q., Welage q.q./Rabobank), die steeds per casus zullen verschillen.

Geen wettelijke informatieplicht van de pandhouder
Voorop gesteld moet worden dat er in de wet géén informatieplicht voor de pandhouder bestaat. Er bestaat wél een verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording, namelijk in art. 490c Rv. De wet licht niet toe hoe ver deze rekening en verantwoording dient te gaan. Invulling van artikel 490c Rv geschiedt door de jurisprudentie.

In een vonnis van de Rechtbank Oost-Nederland van 27 februari 2013 is geoordeeld dat voldoende is wanneer een pandhouder begin- en eindpositie van de debiteurenportefeuille en het incasso-resultaat inzichtelijk maakt. Het uitgangspunt daarbij is steeds het totaal van de verpande vorderingen, het resultaat dat is behaald – inclusief gegevens over de datum van betaling en de rekening waarop is betaald – en dat wat nog open staat aan vorderingen. Dat betekent dat voor het voldoen aan 490c Rv voldoende is dat achteraf inzichtelijk wordt gemaakt door de pandhouder wat het resultaat van de incasso van verpande vorderingen is geweest.

Nijhuis q.q./Rabobank
Ter onderbouwing van een verzoek om zeer vergaande informatie verwijzen curatoren vaak naar een uitspraak van de Rechtbank Gelderland d.d. 22 april 2015 (Nijhuis q.q./Rabobank). In die zaak werd de curator vier maanden na faillissementsdatum geïnformeerd over de stand van de incasso, waarbij  bleek dat slechts een klein percentage van de verpande vorderingen was geïncasseerd. Op verdere vragen hierover reageerde de pandhouder niet. De curator stelde de pandhouder vervolgens een zeer korte termijn ex art. 58 lid 1 Fw. De Rechtbank oordeelde dat de gestelde termijn redelijk was en dat de curator geen misbruik van zijn bevoegdheid had gemaakt door de opbrengst op te eisen. Uit deze uitspraak blijkt het belang voor een pandhouder om voortvarend te handelen bij het uitoefenen van haar rechten als separatist. Wanneer een incasso niet op gang komt, bijvoorbeeld doordat informatie of medewerking ontbreekt, is het van belang ook de curator hierover te informeren.

Deze uitspraak ondersteunt echter niet de stelling dat een pandhouder verplicht zou zijn alle door de curator opgevraagde informatie onmiddellijk te verstrekken. Deze uitspraak is bovendien niet in tegenspraak met hoofdlijn uit de jurisprudentie van 2013, doch is daar slechts een aanvulling op bedoeld voor zeer bijzondere situaties.

Conclusie
Er bestaat geen wettelijke informatieplicht van de pandhouder jegens de boedel. Wel bestaat er een verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording. De informatie die de pandhouder in het kader daarvan aan de curator dient te verstrekken is beperkt en behoeft in beginsel pas ná afronding van de incasso te worden verstrekt. De pandhouder doet er goed aan eigener beweging de curator tussentijds over de voortgang te informeren, zodat die laatste ervan verzekerd is dat geen sprake is van een talmende pandhouder. Enkel bij een incasso niet voortvarend verloopt, terwijl alle administratie voorhanden is, kan de curator twijfelen aan de voortvarendheid. In dat geval kan de curator de pandhouder een termijn stellen ex art. 58 Fw. Dit instrument is echter een ultimum remedium en mag niet te lichtvaardig worden ingezet. In onze praktijk zijn alle curatoren tot nog toe teruggefloten door de rechter-commissaris wanneer zij het middel van art. 58 FW trachtten in te zetten.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie