Op basis van art. 29 Fw heeft de faillietverklaring tot gevolg dat alle lopende procedures tegen de failliet worden geschorst. Art. 30 lid 1 Fw maakt hier een uitzondering op. Wanneer de rechter in de procedure alleen nog een beslissing hoeft te geven, geldt art. 29 Fw niet. Recent heeft de Hoge Raad duidelijkheid gegeven over een geval dat niet in deze wetsartikelen is geregeld. Daarin is ná de faillietverklaring hoger beroep ingesteld.

 

Na faillietverklaring in hoger beroep

Een werkneemster had de kantonrechter verzocht om haar werkgever te veroordelen tot vergoedingen vanwege de beëindiging van haar arbeidsovereenkomst. Vóór de faillietverklaring van de werkgever heeft de kantonrechter dit verzoek afgewezen. Na de faillietverklaring is de werkneemster in hoger beroep gegaan tegen die afwijzing. Het hof heeft de curator geïnformeerd dat de procedure tegen hem zal worden voortgezet. De curator heeft zich daartegen verweerd met een beroep op art. 29 Fw. De procedure zou volgens hem op basis van die bepaling geschorst moeten zijn.

 

Hof: art. 29 Fw niet van toepassing

Volgens het hof geldt art. 29 Fw alleen voor de rechterlijke instantie waar de procedure tijdens de faillietverklaring aanhangig is. Wanneer een rechter al uitspraak heeft gedaan, wordt de procedure bij een hogere rechter “gewoon” voortgezet tegen de curator. Omdat het hoger beroep pas na de faillietverklaring door de werkneemster is ingesteld, geldt art. 29 Fw niet. Het hof baseert dit oordeel op eerdere uitspraken van de Hoge Raad.

 

Hoge Raad: art. 29 Fw toch wel van toepassing

De Hoge Raad is het daar niet mee eens en gaat in op de bestaansgrond van art. 29 Fw. Die vindt zijn basis in art. 26 Fw: schuldeisers moeten alle vorderingen op de failliet bij de curator indienen ter verificatie. Art. 29 Fw maakt duidelijk dat dit ook geldt voor de rechtsvorderingen die al bij een rechter liggen.

In deze zaak is vóór de faillietverklaring een uitspraak gedaan waartegen na de faillietverklaring hoger beroep is ingesteld. Die situatie is niet in de wet geregeld. De Hoge Raad oordeelt dat art. 29 Fw ook in dat geval geldt. Dit vanwege de positie van de gezamenlijke schuldeisers, die wordt gewaarborgd door art. 26 en 29 Fw. Zij kunnen zich pas op de verificatievergadering uitlaten over de vordering waarover de procedure gaat (art. 119 Fw). Als zij de vordering dan betwisten, volgt een renvooiprocedure (art. 122 Fw). Dat is een procedure waarin de rechtbank de geldigheid van de vordering onderzoekt. Als het hoger beroep buiten de verificatievergadering om zou doorlopen, valt deze mogelijkheid voor de andere schuldeisers weg. Dit is volgens de Hoge Raad niet wenselijk.

Het hoger beroep dat ná de faillietverklaring is ingesteld, is daarom “van rechtswege” geschorst. Dat betekent dat partijen niet om schorsing hoeven te verzoeken bij de rechter. De rechter moet uit zichzelf vaststellen dat art. 29 Fw van toepassing is en dat de procedure daarom is geschorst. Dat geldt ook als de curator hoger beroep instelt.

 

Koerswijziging van de Hoge Raad

De Hoge Raad neemt hiermee afstand van de eerdere uitspraken waar het hof haar oordeel op baseerde. Daarin gold dat de curator met het instellen van hoger beroep een weloverwogen keuze maakte voor voortzetting van een procedure. En daarom was art. 29 Fw niet van toepassing. Echter, deze aanname is lang niet altijd juist. Wanneer een rechter vóór faillietverklaring uitspraak heeft gedaan, zal de curator binnen de daarvoor geldende termijn hoger beroep willen instellen. Dat voorkomt namelijk dat de uitspraak van de lagere rechter onherroepelijk wordt. Pas later zal de curator juridisch een standpunt over de kwestie kunnen innemen. De Hoge Raad erkent dit door op de eerdere uitspraken terug te komen!

 

Conclusie

De Hoge Raad beslist in deze uitspraak over een situatie die niet in de wet is geregeld. Duidelijk is nu dat ook het instellen van hoger beroep ná de faillietverklaring stuit op art. 29 Fw. Voor curatoren en de gezamenlijke schuldeisers is dit een positieve ontwikkeling. Alle rechtsvorderingen tegen de failliet lopen centraal via de verificatievergadering, zodat voldoende gelegenheid bestaat om die vorderingen goed te beoordelen. Voor de schuldeiser die hoger beroep instelt, zal het wel langer duren voordat zijn vordering vast komt te staan.

Let op: de Hoge Raad oordeelt niet dat het indienen van een vordering ter verificatie de lopende hoger beroepstermijn opschort. Van belang is dus dat de betreffende schuldeiser zowel hoger beroep instelt als zijn vordering indient ter verificatie. Op die manier kan hem op de verificatievergadering niet worden tegengeworpen dat de uitspraak in eerste aanleg onherroepelijk is geworden.