Inleiding
In geval van een stil pandrecht op de debiteurenportefeuille van een failliete onderneming, dient de curator de pandhouder gedurende een periode van veertien dagen de gelegenheid te bieden om mededeling van het pandrecht te doen aan de debiteuren (arrest Hamm q.q./ABN Amro, NJ 2010/96).

Door deze mededeling wordt het pandrecht openbaar en kunnen de debiteuren uitsluitend nog bevrijdend betalen aan de pandhouder in plaats van aan de boedel. Gedurende die periode van veertien dagen mag de curator geen actieve incassohandelingen verrichten. Hij mag slechts passief betalingen ontvangen. Als gevolg van inning van verpande vorderingen gaat het pandrecht teniet. Op het door de curator geïnde komt geen vervangend pandrecht te rusten en de voormalig pandhouder heeft evenmin recht op afdracht van het bedrag dat de curator heeft ontvangen. De pandhouder kan dan slechts nog haar vordering indienen in het faillissement, waarbij hij een recht van voorrang heeft boven de concurrente crediteuren. In dat geval dient de pandhouder wel bij te dragen in de faillissementskosten (Mulder q.q./CLBN, NJ 1996/471). In een recent arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld over de gevolgen van actieve inning door de curator, in strijd met de geldende regels.

HR 5 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:199
In deze zaak had de Rabobank een pandrecht op alle vorderingen van Rapsody Shipyard. De curator had ná faillissement nog facturen opgesteld voor door Rapsody verrichte werkzaamheden van vóór faillissement. De Rabobank heeft de curator verzocht om de gegevens hiervan, zodat deze facturen konden worden betrokken in de incasso door de Rabobank. De curator heeft geweigerd de informatie te verschaffen en heeft de betreffende vorderingen zelf geïncasseerd ten behoeve van de boedel. De Rabobank heeft volledige afdracht van de opbrengst gevorderd, zonder aftrek van de faillissementskosten.

De Hoge Raad oordeelt – verwijzend naar het arrest Hamm q.q./ABN Amro, waarin een gelijkluidend oordeel is gegeven – dat de curator de facturen ten onrechte heeft geïncasseerd. Hierdoor heeft de Rabobank een boedelvordering. Een boedelvordering is een rechtstreekse vordering op de boedel die niet ter verificatie hoeft te worden ingediend. Deze vorderingen vormen een onderdeel van de faillissementskosten. Er bestaat volgens de Hoge Raad echter geen grond de curator verplicht te achten de volledige opbrengst af te dragen.

In dit geval was sprake van een negatieve boedel. Dit houdt in dat er onvoldoende actief is om alle boedelschulden te voldoen. In een dergelijk geval dienen de boedelschulden in beginsel naar evenredigheid van de omvang van elke schuld te worden voldaan. De kosten van executie en vereffening (lees: het salaris en de verschotten van curatoren) worden onder die schuldeisers verdeeld. De Hoge Raad verwijst hiervoor naar het arrest De Ranitz q.q./Ontvanger (NJ 1991/305) en oordeelt dat dit ook geldt in de onderhavige zaak: “Weliswaar kan dit tot het onwenselijke resultaat leiden dat de curator de door hem gemaakte kosten van executie en vereffening – waaronder zijn salaris – kan verhalen ten koste van de pandhouder wiens rechten en verhaalsmogelijkheden hij heeft gefrustreerd en die zonder die handelwijze van de curator niet ten laste van de pandhouder zouden zijn gekomen, maar daarin is geen grond gelegen om het wettelijk preferentiestelsel opzij te zetten.”

De Hoge Raad merkt verder op dat een handelwijze van de curator in strijd met de geldende regels wel tot zijn persoonlijke aansprakelijkheid kan leiden. De hiervoor geldende norm is gegeven in het arrest Maclou (NJ 2012/515). Voor persoonlijke aansprakelijkheid is vereist dat de curator ook persoonlijk een verwijt kan worden gemaakt van zijn handelen. De Hoge Raad oordeelt dat indien de curator de desbetreffende regels niet in acht neemt, hij niet handelt zoals in redelijkheid mag worden verlangd van een over voldoende inzicht en ervaring beschikkende curator die zijn taak met nauwgezetheid en inzet verricht en dat hij persoonlijk aansprakelijk zal kunnen zijn voor de schade die de pandhouder als gevolg van die handelwijze lijdt. De Rabobank had haar vordering op de curator wegens persoonlijke aansprakelijkheid echter niet doorgezet in hoger beroep en cassatie, waardoor de Hoge Raad het beroep van de Rabobank moet afwijzen.

Conclusie
Wanneer een curator betaling van stil verpande vorderingen ontvangt, vervalt het pandrecht van de pandhouder op die betreffende vorderingen en kan hij hiervoor alleen nog maar een (preferente) vordering indienen in het faillissement. De pandhouder moet dan wel bijdragen in de algemene faillissementskosten.

Wanneer een curator in strijd met de regels betaling van stil verpande vorderingen ontvangt, heeft de pandhouder een boedelvordering. Dit is een rechtstreekse vordering op de boedel en wordt niet ter verificatie ingediend. Het is een onderdeel van de algemene faillissementskosten. Wanneer sprake is van een negatieve boedel, wordt het actief evenredig over de verschillende boedelschuldeisers verdeeld onder aftrek van de kosten van executie en vereffening (waaronder het salaris van de curator). De pandhouder lijdt hierdoor schade, voor welke schade de curator persoonlijk aansprakelijk kan zijn. De curator zal de schade dan persoonlijk dienen te vergoeden.

Mede-auteur van deze blog is mijn kantoorgenoot, mr. Tom Kools (https://nl.linkedin.com/in/tomkools-43724557).

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie