De Hoge Raad heeft onlangs in de zaak Eurocommerce/Rabobank een belangrijke prejudiciële vraag beantwoord over verrekening door banken rondom het faillissement van de rekeninghouder. Alvorens hierop in te gaan, zetten wij eerst de heersende leer hierover uiteen.

Verrekening door de bank

Wanneer een girale betaling door een derde wordt gedaan en de bank de rekening crediteert, ontstaat een vordering van de rekeninghouder op de bank. De bank wordt hierdoor schuldenaar van de rekeninghouder (Loeffen q.q./BMH I, ING/Gunning q.q.).

Er zijn echter meerdere situaties denkbaar waarin de bank zelf ook een (tegen)vordering heeft op de betreffende rekeninghouder, bijvoorbeeld:

– uit hoofde van een kredietovereenkomst;
– een negatief saldo op diezelfde of een andere bankrekening van de rekeninghouder bij dezelfde bank;
– in geval van een compte-joint-overeenkomst in concernverband, een negatief saldo op een rekening van een groepsmaatschappij bij dezelfde bank.

Een bank laat gebruikelijk alle creditsaldi op de bankrekeningen van de verbonden rekeninghouder(s) aan zichzelf verpanden. Op die wijze kan de bank de vordering die ontstaat middels een girale betaling door een derde verrekenen met hetgeen de bank nog van de rekeninghouder te vorderen heeft.

Bank te goeder trouw?

Is er echter sprake van een naderend faillissement van de rekeninghouder, dan kan op grond van art. 54 Fw niet zomaar meer verrekend worden. Hiervoor is volgens de Hoge Raad bepalend het antwoord op de vraag of de bank te goeder trouw was op het moment van de verrekening (ABN Amro/THB, Rabobank/Kézér q.q.). Wist de Bank ten tijde van de verrekening dat de rekeninghouder in een zodanige toestand verkeerde dat zijn faillissement was te verwachten? Dan was geen sprake van goede trouw en mocht de Bank niet verrekenen. De gedachte hierachter is dat het girale betalingsverkeer aan banken geen voorrangspositie mag verschaffen ten opzichte van de overige crediteuren in het faillissement van de rekeninghouder.

Uitzondering

Op het bovenstaande is door de Hoge Raad een uitzondering gemaakt voor de gevallen waarin de girale betaling door de derde een bijschrijving betreft voor een (stil) verpand goed. Is hiervan sprake, dan mag de bank wél verrekenen (Mulder q.q./CLBN). In geval van incasso van verpande vorderingen bijvoorbeeld, maakt de bank veel gebruik van deze uitzondering en kan de bank gewoon verrekenen; daar verandert met het Eurocommerce-arrest niets aan.

Arrest Hoge Raad Eurocommerce/Rabobank

In de zaak Eurocommerce/Rabobank die in deze blog centraal staat, ging het niet om een betaling van een verpande vordering, maar om een girale betaling door een derde van een vordering die niet onder de verpanding viel. Door die betaling ontstond een vordering van de rekeninghouder op de bank. Die vordering zou wél onder de verpanding vallen. De Hoge Raad werd de vraag voorgelegd of dit iets verandert aan de heersende leer. De bank had immers ter zekerheid van terugbetaling van een kredietovereenkomst een openbaar pandrecht verkregen op alle vorderingen van de rekeninghouder op haarzelf. Een openbaar pandrecht verschaft de bank van rechtswege een bijzondere positie ten opzichte van de overige crediteuren. Zo is de bank als openbaar pandhouder separatist en kan zij in geval van faillissement van de pandgever op grond van art. 57 Fw haar recht uitoefenen alsof er geen faillissement was. Daarnaast verschaft een pandrecht de bank op grond van art. 3:278 BW voorrang boven andere schuldeisers. Kan de bank op basis hiervan dan toch verrekenen?

Nee, de Hoge Raad ziet geen reden om tot een ruimere uitzondering te komen dan reeds is aangenomen in het arrest Mulder q.q./CLBN, aangezien de positie van de bank als zekerheidsgerechtigde ook in de voorgelegde situatie nog altijd onmiddellijk en uitsluitend samenhangt met haar bijzondere positie in het girale betalingsverkeer.

Conclusie:

Is het faillissement van de rekeninghouder door de bank te verwachten, dan kan een girale betaling door een derde van een niet verpande vordering niet worden verrekend, ook niet wanneer het pandrecht van de bank openbaar is gemaakt.
Als incasserende pandhouder biedt deze uitspraak wel kansen wanneer de pandgever rekeningen bij meerdere banken aanhoudt. Een niet-financierende bank, die ook geen pandrecht op vorderingen heeft, kan op grond van deze uitspraak van de Hoge Raad zich ná het moment van artikel 54 FW niet meer op verrekening beroepen. Zodra het pandrecht openbaar is gemaakt aan die andere bank en het faillissement van de pandgever te verwachten is, kan aanspraak worden gemaakt op de bijschrijvingen op de rekeningen bij die andere bank, zolang het betalingen van verpande vorderingen betreft.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie