De bankgarantie is een contractuele vorm van zekerheid. In een standaardsituatie zijn daar drie partijen bij betrokken: de hoofdschuldenaar, de schuldeiser en de bank. De hoofdschuldenaar spreekt met de bank af dat zij onder bepaalde voorwaarden een maximumbedrag aan de schuldeiser betaalt. Als aan de gestelde voorwaarden is voldaan, is de bank ook verplicht om voor die betaling te zorgen. Dit bedrag schrijft de bank vervolgens af van de rekening van de hoofdschuldenaar. Het is dus belangrijk om te letten op de formulering van de voorwaarden waaronder de schuldeiser een bankgarantie kan inroepen. In een recente uitspraak van de Hoge Raad speelt de formulering van deze voorwaarde een belangrijke rol.

 

Afwijking van de standaardsituatie

Bouwbedrijf Vormbouw had een vordering op haar onderaannemer A (de hoofdschuldenaar). Zustervennootschap Z heeft voor A en ten gunste van Vormbouw (de schuldeiser) door de bank een bankgarantie laten stellen. Anders dan in de standaardsituatie waren bij deze bankgarantie dus vier partijen betrokken. Vormbouw mocht de bankgarantie inroepen als A door een faillissement haar verplichtingen niet nakwam. De garantie kon oplopen tot een bedrag van maximaal € 250.000. De onderlinge verhoudingen zijn hieronder schematisch weergegeven.

 

 

Na de faillietverklaring van A heeft Vormbouw de bankgarantie ingeroepen. De bank heeft het maximale bedrag van € 250.000 aan Vormbouw betaald. De curator van A begint vervolgens een arbitrageprocedure vanwege een tegenvordering van A op Vormbouw. In die procedure is vastgesteld dat de tegenvordering hoger is dan de vordering van Vormbouw op A. Per saldo moet Vormbouw een bedrag betalen aan A. De eerder ontvangen € 250.000 is bij het door Vormbouw te betalen bedrag opgeteld. Dit hele bedrag is door Vormbouw aan de curator betaald.

 

Rechtbank: Vormbouw moest aan de verkeerde partij terugbetalen

Toen Vormbouw de bankgarantie inriep, heeft de bank € 250.000 van de rekening van Z afgeschreven. Daarom heeft Z een vordering op A van € 250.000. De curator heeft de vordering van Z als concurrente vordering aangemerkt. Z is hiertegen in verzet gegaan en heeft aan de rechtbank verzocht de vordering als boedelschuld aan te merken. De curator moet boedelschulden namelijk eerder voldoen dan concurrente schulden.

De rechtbank gaat mee in het verzoek van Z. Zij oordeelt dat de bankgarantie terecht door Vormbouw is ingeroepen na het faillissement van A. Toen stond namelijk vast dat Vormbouw een vordering had op A en dat de voorwaarde voor inroeping was vervuld. Volgens de rechtbank was in de arbitrageprocedure echter niet duidelijk dat niet A, maar Z de bankgarantie had laten stellen. Daarom zou in die procedure onterecht zijn beslist dat Vormbouw de € 250.000 aan A moest terugbetalen. Omdat Vormbouw de € 250.000 eigenlijk aan Z had moeten terugbetalen, oordeelt de rechtbank dat de faillissementsboedel ongerechtvaardigd is verrijkt. Omdat de curator de € 250.000 niet alsnog aan Z heeft overgemaakt, is de vordering van Z een boedelschuld.

 

De curator heeft tegen deze uitspraak cassatie ingesteld bij de Hoge Raad.

 

Hoge Raad: geen verplichting tot terugbetaling

Ook de Hoge Raad oordeelt dat de bankgarantie terecht is ingeroepen door Vormbouw. Anders dan de rechtbank, oordeelt de Hoge Raad dat daarom geen verplichting tot terugbetaling is ontstaan. Vormbouw heeft de € 250.000 van de bankgarantie aan A overgemaakt vanwege de verrekening die in de arbitrageprocedure heeft plaatsgevonden. Nadat in die procedure was vastgesteld wat Vormbouw en A aan elkaar verschuldigd waren, is ook de € 250.000 in de verrekening meegenomen. De Hoge Raad oordeelt dat daaruit geen terugbetalingsverplichting voor Vormbouw volgt.

Het oordeel van de rechtbank dat de € 250.000 aan Z moest worden terugbetaald, is volgens de Hoge Raad onjuist. Dat geldt ook voor het daarop gebaseerde oordeel dat sprake is van een boedelvordering. De vordering van Z op A zal door de curator dus niet met voorrang worden voldaan.

 

Conclusie

Deze zaak onderstreept het belang van een zorgvuldige formulering van de voorwaarden waaronder een bankgarantie kan worden ingeroepen. Omdat aan de (eenvoudige) voorwaarde “faillissement” was voldaan, kon Z haar (terechte) vordering op A niet als boedelschuld indienen. Was de voorwaarde anders geformuleerd, dan was dit waarschijnlijk beter voor Z afgelopen. De voorwaarde zou dan bijvoorbeeld luiden dat Vormbouw de bankgarantie kan inroepen wanneer (i) A in staat van faillissement verkeert, én (ii) in rechte (al dan niet onherroepelijk) is vastgesteld dat A een bedrag aan Vormbouw moet betalen. Wanneer de bankgarantie op die zorgvuldigere wijze was geformuleerd, dan had Vormbouw die niet kunnen inroepen en was Z veel bespaard gebleven.

Let dus altijd goed op de formulering van de voorwaarden van een bankgarantie!