De afgelopen maanden heeft het wetsontwerp tot opheffing van verpandingsverboden ten behoeve van financieringsdoeleinden ter consultatie gelegen. Inmiddels is de consultatie gesloten; er zijn in totaal 19 openbare consultaties ingediend.

Het wetsvoorstel omvat slechts één inhoudelijk nieuw wetsartikel in 3:83 BW. Voor het overige bevat het twee wijzigingen die met vormvereisten te maken hebben – elektronisch is ook schriftelijk- en een iets aangepaste overgangsregeling. De artikelen I en II van het wetsontwerp beslaan aldus een half A4.

Nog even recapituleren: waar gaat dit ook alweer over?

De Bank sluit een kredietovereenkomst met haar klant A. Als zekerheid voor de terugbetaling van de kredietsom, en de overige verplichtingen die voortvloeien uit de kredietovereenkomst, bedingt de Bank een (eerste) pandrecht op de vorderingen van A op diens debiteuren. Dit pandrecht wordt normaliter middels een combi-pandakte met volmacht geformaliseerd en de bank verpandt dagelijks de nieuwe vorderingen van al haar kredietnemers aan zichzelf middels registratie van een pandakte bij de Belastingdienst. Tot zover niets nieuws onder de zon.

A heeft een aantal grote en loyale klanten waarbij hij tot 80% van zijn omzet realiseert. Eén van die vaste klanten van A is klant B. In een ver verleden hebben A en B een raamovereenkomst gesloten op basis waarvan B wekelijks grote bestellingen bij A plaatst. A factureert ook wekelijks aan B en onderdeel van de vaste afspraken tussen A en B is dat alle facturen een betalingstermijn kennen van 60 dagen. Het schetst geen verbazing dat op een willekeurige grootboekuitdraai uit de debiteurenadministratie van A klant B als een van de grootste debiteuren naar voren komt. Ondanks de loyaliteit van B staan de marges van A onder druk en op enig moment belandt A bij de bijzonder beheer afdeling van zijn Bank.

A levert op verzoek aan de Bank een actuele debiteurenlijst aan, waarop uitstaande facturen staan tot een totaalbedrag van € 700.000,–. B komt op die lijst voor met een totaalbedrag van € 400.000,–. Het gaat mis met A en kort vóór faillissement wordt het pandrecht van de Bank openbaar gemaakt en worden alle debiteuren aangeschreven met de mededeling dat uitsluitend nog bevrijdend kan worden betaald op de door A aangehouden rekening bij de Bank. B meldt zich met een beroep op een verpandingsverbod en stelt niet tot betaling aan de pandhouder (Bank) verplicht te zijn. Dit betekent overigens niet dat B niet hoeft te betalen, maar enkel dat B niets aan de Bank verschuldigd is. Na het faillissement van A vordert de curator alle vorderingen van B op en de betalingen die B doet, vallen onbezwaard in de boedel.

De Bank, die dacht een verpande debiteurenportefeuille van € 700.000,– als zekerheid te hebben, ziet de waarde van die portefeuille slinken tot € 300.000,–. Voor een Bank is het haast ondoenlijk om vóórafgaand aan openbaarmaking van een pandrecht dergelijke verpandingsverboden op te sporen. Ze komen dus als onaangename aap bij de uitwinning uit de mouw.

In 2014 maakte de Hoge Raad met het arrest Coface/Intergamma een onderscheid tussen de zgn. goederenrechtelijke verpandingsverboden en de verbintenisrechtelijke verpandingsverboden. Kort gezegd komt dit erop neer dat uit de formulering van het verpandingsverbod zelf blijkt of de vordering onverpandbaar wordt gemaakt  (goederenrechtelijk) of slecht een verbod is geformuleerd voor A om de vordering te verpanden (verbintenisrechtelijk). Omdat tot 2014 bijna alle grote marktspelers een verbintenisrechtelijk verpandingsverbod in hun algemene voorwaarden hadden staan, heeft dit arrest van de Hoge Raad tot 2016 voor Banken aanzienlijk extra resultaat in de uitwinning van de debiteurenportefeuilles opgeleverd. Tegen die tijd hadden de meeste partijen hun verpandingsverbod alsnog goederenrechtelijk geformuleerd, om het weer tegen de Bank in te kunnen roepen.

Het wetsvoorstel beoogt een einde te maken aan verpandingsverboden voor zover die tegen financiers worden ingeroepen. Op grond van het wetsvoorstel wordt ieder verpandingsverbod ingeroepen jegens een financier nietig. Dit levert een belangrijke verbetering op van de waarde van een debiteurenportefeuille en de financierbaarheid ervan.

Dat het een omstreden wetsvoorstel is, blijkt niet alleen uit de geruime tijd die het geduurd heeft dit tot wetsvoorstel te maken, maar tevens uit het aantal en de omvang van de consultaties. De meest opvallende weerstand komt van de Nederlandse Orde van Advocaten en ook Insolad is weliswaar positief, maar zeer kritisch. De belangrijkste weerstand zit in het afnemen van het boedelactief en het risico voor MKB’ers dat zij per ongeluk aan de verkeerde partij betalen.

We laten het aan uw interesse over om al dan niet kennis te nemen van de 19 consultaties, die van ons treft u hier aan. Het is zonder meer aan te bevelen wanneer het wetsvoorstel in de huidige redactie wordt aangenomen. Aanpassingen die zouden leiden tot betalingen die bevrijdend aan A of curatoren mogen worden gedaan, zullen naar onze overtuiging leiden tot nieuwe praktijkproblemen bij de uitwinning van verpande vorderingen.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie