Borgstelling, opheffing faillissement en verjaring.

,

Aan de hand van een casus worden in deze blog meerdere onderwerpen uitgelegd die bij elkaar komen in een interessant en complex vraagstuk, namelijk borgstelling, opheffing faillissement en verjaring.

borgstelling:
Wat gebeurt er als een bestuurder zich privé borg heeft gesteld voor de schuld van zijn BV,

opheffing faillissement BV:
bij de beëindiging van het faillissement, wegens opheffing bij gebrek aan baten of met een slotuitdelingslijst,

verjaring:
en de tijd inmiddels zo ver is verstreken dat de vordering in beginsel zou zijn verjaard?

Over dit vraagstuk heeft de Hoge Raad zich eerder dit jaar moeten buigen in de zaak Rambaldo/Rabobank. Wij gaan eerst op de verschillende onderwerpen in, voordat wij toekomen aan het antwoord van de Hoge Raad.

Borgstelling
Van een borgstelling is op grond van art. 7:850 BW sprake wanneer iemand zich jegens de schuldeiser verbindt tot nakoming van een verbintenis die een derde tegenover die schuldeiser heeft. Het komt vaak voor dat de bestuurder van een BV zich borg stelt voor een schuld van de BV

Kenmerkend van een borgstelling is dat deze ondergeschikt is aan de oorspronkelijke vordering op de hoofdschuldenaar. De schuldeiser moet eerst de hoofdschuldenaar hebben aangesproken zonder resultaat, vóórdat hij zich kan richten tot de borg.

Verder is de borgstelling afhankelijk van de oorspronkelijke verbintenis. Dat betekent dat de borg een beroep kan doen op bepaalde verweren die aan de BV toekomen, bijvoorbeeld een afgesproken uitstel van betaling of een recht tot opschorting.

Opheffing faillissement BV
Het is meestal weinig interessant voor schuldeisers om zich te verdiepen in de vraag wat er gebeurt met een BV na beëindiging van het faillissement. Uit art. 2:19 lid 1 sub c en 4 BW blijkt dat de BV dan wordt ontbonden en dat deze ophoudt te bestaan. Een vordering op de BV blijft na opheffing van het faillissement bestaan. Er is echter geen debiteur meer om aan te spreken, omdat deze is ontbonden. Als achteraf nog activa worden ontdekt, waardoor een (aanvullende) uitkering aan de schuldeisers mogelijk wordt, kan de vereffening worden heropend op basis van art. 2:23c lid 1 BW.

Verjaring
Vorderingen kennen een verjaringstermijn. Als de schuldeiser te lang stilzit, kan hij de betaling op een gegeven moment niet meer afdwingen. De gebruikelijke handelsvorderingen verjaren op grond van art. 3:307 BW in beginsel na vijf jaar nadat deze opeisbaar zijn geworden.  Het verlengen van de verjaringstermijn is mogelijk, dit noemen we stuiten. Dit kan geschieden bijvoorbeeld door het sturen van een incassobrief. In geval van faillissement blijft de verjaringstermijn doorlopen. Artikel 2:23c BW kent een speciale wettelijke regeling tot verlenging van de verjaringstermijn ten behoeve van de schuldeisers van een failliete BV voor het geval van heropening van de vereffening. Strekt die wettelijke verlenging nu ook zo ver dat de vordering van een schuldeiser op een borg daardoor wordt beschermd tegen verjaring? En wat als de vordering zou verjaren vóórdat de heropening van de vereffening heeft plaatsgevonden?

In de praktijk bestond hierover onduidelijkheid en voor de zekerheid stuitten schuldeisers hun vorderingen ten opzichte van andere partijen dan de failliete BV tijdig.

Casus
In de zaak voor de Hoge Raad stelde de borg zich op het standpunt dat de vordering op de BV is verjaard en dat de vordering uit hoofde van de borgstelling daarom teniet is gegaan.

De Hoge Raad oordeelt echter dat dit niet klopt en wijst op art. 2:23c lid 2 BW jo. 3:320 BW, waaruit blijkt dat – zolang de vereffening niet is heropend – een verlengingsgrond ten aanzien van de verjaring geldt nadat de rechtspersoon is opgehouden te bestaan. Stuiting van de verjaring is dan niet nodig. Het is volgens de Hoge Raad voor het van toepassing zijn van de wettelijke verlenging van de verjaring niet vereist dat de heropening van de vereffening al heeft plaatsgevonden of voorzienbaar nog gaat plaatsvinden. De vordering blijft überhaupt bestaan en kan niet verjaren zolang geen heropening van de vereffening heeft plaatsgevonden. In de meeste gevallen komt er nooit een heropening en verjaart de vordering dus niet.

De Hoge Raad geeft in dit arrest een uitleg aan een wetsbepaling die niet eerder zo werd geïnterpreteerd door de praktijk.

Conclusie
Het oordeel van de Hoge Raad betekent dat een vordering op de BV en dus ook op de borg  eeuwig kan voortbestaan (!) nadat de BV is ontbonden. Enkel in de zeldzame gevallen waarin de vereffening heropend wordt, blijft het zaak de verjaring te stuiten. Goed nieuws dus voor banken die zich in distressed scenario en de daarmee gepaard gaande uitwinningsfase van hun zekerheden bevinden. De vraag of de verlengingsgrond ook geldt ten opzichte van de borg, stond in cassatie niet ter discussie. Wij zouden menen dat dit af zou stuiten op het afhankelijke karakter van de borgstelling: je bent borg met niet alleen de lusten, maar ook de lasten!

Mits de vordering uit een krediet bij aanvang van het faillissement nog niet verjaard is, kan de vordering op een borg in beginsel dus niet meer verjaren.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een antwoord