Bij de inning van een meervoudig verpande vordering door de eerste pandhouder, heeft de tweede pandhouder recht op het eventuele overschot. Ook indien de pandgever failliet is. Dit is wettelijk bepaald in artikel 3:253 BW jo. artikel 57 lid 4 Fw jo. 490b Rv.

 

Bij een faillissement van de pandgever kan de tweede pandhouder te maken krijgen met een curator die stelt dat de tweede pandhouder geen aanspraak heeft op afdracht van het overschot (als ‘separatist’), en dat hij voor uitkering moet wachten op de slotuitdelingslijst en mee moet delen in de algemene faillissementskosten (‘betaling vanuit de boedel’). Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen als de tweede pandhouder zich niet tijdig bekendmaakt bij de eerste pandhouder en deze laatste het overschot uitkeert aan de curator. Zie mijn eerdere blog.

Recentelijk diende de rechter te oordelen over een geval waarin een gedeelte van het overschot door de eerste pandhouder was geïnd vóórdat de tweede pandhouder zijn pandrecht op 1 maart 2014 volgens artikel 3:246 lid 1 BW openbaar maakte.

Standpunt curator

De curator stelde zich op het standpunt dat de tweede pandhouder pas vanaf 1 maart 2014 bevoegd was zich op het overschot te verhalen, en dat de tweede pandhouder voor het gedeelte van het overschot dat was ontstaan vóór 1 maart 2014 aanspraak maakt op betaling vanuit de boedel. De eerste pandhouder zou dit gedeelte van het overschot eerst aan de curator dienen te betalen.

Op het moment dat het overschot ontstond, ging het pandrecht van de eerste pandhouder teniet, met als gevolg dat de inningsbevoegdheid tot 1 maart 2014 weer aan de pandgever toekwam. Gedurende deze periode zou er als het ware sprake zijn van inning door de curator, waardoor ook het pandrecht van de tweede (stille) pandhouder teniet zou zijn gegaan, en deze laatste geen separatist meer zou zijn betreffende het vóór 1 maart 2014 geïnde overschot.

Standpunt tweede pandhouder

De tweede pandhouder stelde dat zij haar ‘positie als separatist’ voor wat betreft het gehele overschot had behouden. Door de inning door de eerste pandhouder zou het pandrecht van de tweede pandhouder op grond van artikel 3:246 lid 5 BW op het geïnde overschot zijn komen te rusten, en indien dat niet het geval zou zijn, zou voor het overschot de gerechtelijke rangregeling van artikel 3:253 BW moeten worden vastgesteld.

Oordeel rechter

De rechter oordeelde dat op het moment dat het overschot ontstond, de inning door de eerste pandhouder niet veranderde in een inning door de curator. De pandhouder is gerechtigd alle verpande vorderingen te innen, ook als zijn vordering kleiner is dan de opbrengst. Artikel 3:253 lid 1 BW regelt wat er dient te gebeuren als er na inning door de eerste pandhouder een overschot resteert. Als er een tweede pandhouder is, moet het overschot aan hem worden uitgekeerd. De tweede pandhouder kan dat indien nodig afdwingen door een gerechtelijke rangregeling te verzoeken volgens artikel 490b Rv jo 481 lid 1 Rv.

Kortom, ook op het voor 1 maart 2014 geïnde kan de tweede pandhouder zich als separatist, dus ‘buiten de boedel om’, verhalen. De tweede pandhouder is dan dus geen bijdrage in de algemene kosten van het faillissement verschuldigd.

De vraag of op grond van artikel 3:246 lid 5 BW het pandrecht van de tweede pandhouder op het door de eerste pandhouder geïnde overschot komt te rusten (een ‘vervangend pandrecht’), heeft de rechter in het midden gelaten. Het is jammer dat hierover onduidelijkheid is. Een vervangend pandrecht zou de tweede pandhouder namelijk goed van pas komen als het overschot niet aan de tweede pandhouder maar aan de curator wordt uitgekeerd, en deze stelt dat uitkering zal plaatsvinden vanuit de boedel. Met een pandrecht op geïnde behoudt de tweede pandhouder mogelijk zijn recht op uitkering buiten de boedel om.

Conclusie

De tweede pandhouder heeft recht op uitkering ‘buiten de boedel om’ van het door de eerste pandhouder geïnde overschot, ook in geval hij geen mededeling van zijn pandrecht aan de debiteuren van de verpande vorderingen heeft gedaan. Inning van een overschot door de eerste pandhouder gedurende de periode dat de tweede pandhouder geen mededeling heeft gedaan van zijn pandrecht, geldt als inning door de eerste pandhouder, en niet als inning door de curator.

Voor de gevallen waarin een overschot is uitgekeerd aan de curator terwijl er een tweede pandhouder is, is duidelijkheid gewenst over de vraag of het pandrecht van de tweede pandhouder op het door de eerste pandhouder geïnde overschot komt te rusten.

Op het moment van publicatie van deze blog was niet bekend of de curator hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis. De door de Rechtbank toegepaste rechtsregel lijkt echter goed te passen in de tendens van rechtsontwikkeling waarin pogingen de rechten van separatisten in te perken, niet worden gehonoreerd.

 

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie